Mannen, hebt uw vrouw lief zoals Christus de kerk heeft liefgehad.
Wat een prachtige zin! Ze is ontleend aan de 2e lezing van zondag 26 augustus (21e zondag door het jaar). Daarin spreekt de apostel Paulus over het huwelijk naar Gods heilsplan. In onze dagen kan men gerust spreken van een crisis m.b.t. het instituut huwelijk. Vele stellen opteren thans voor een andere vorm van samenleven. Daarnaast menen sommigen dat we als samenleving - door het instituut huwelijk ‘op te rekken’ en het ook van toepassing te verklaren voor paren van hetzelfde geslacht - het huwelijk als instituut ondergraven (zoals door God bedoeld). Daarbij kan men zich de vraag stellen in hoeverre het zuiver is om in het kader van een emancipatoir streven zich te bedienen van een goddelijk instituut, met als enig doel de verheffing van de eigen (homo)relatie. Hierbij is het goed te wijzen op twee relevante maatschappelijke ontwikkelingen, die in schril contrast staan; enerzijds een toename van allerlei verschillende samenlevingsvormen (waardoor er minder huwelijken in traditionele zin worden gesloten en … deze onbewust ondermijnen); anderzijds een toename van paren van hetzelfde geslacht die juist willen trouwen, terwijl voor hetero’s het huwelijk (incl. trouwen) allang niet meer vanzelfsprekend is. Sociologen wijzen in dit verband wel op een vergaande devaluering van het huwelijk, terwijl het naar mijn mening hier niet gaat om het huwelijk an sich, maar eerder betrekking heeft op de wijze waarop mensen er mee omgaan en het daarmee overeenkomstig leren te ‘verstaan’.
In samenhang hiermee kan voorts gewezen worden op de voortgaande ‘privatisering van het huwelijk’. Het wordt veelal nog enkel beschouwd als een privézaak van louter 2 individuen, terwijl ieder huwelijk veel meer omvat dan enkel dit stel. Zo is de samenleving als geheel (in het bijzonder de kinderen) gebaat bij stabiele huwelijken en gezinnen, alsook bij een gezonde kijk op het instituut huwelijk. Welnu, in de Bijbel en de Catechismus vindt men vele handvatten om te komen tot een beter verstaan van wat het huwelijk is en in de praktijk hoort te zijn. Zo begint de Bijbel met de schepping van man en vrouw naar Gods beeld en gelijkenis. God zelf is de stichter van het huwelijk. Zo heeft Hij de roeping tot het huwelijk gegrift in de natuur zelf van man en vrouw, zoals zij voortgekomen zijn uit de hand van de Schepper. Het huwelijk is dan ook geen louter menselijke instelling, ondanks de veelvuldige variaties die het in de loop der eeuwen gekend heeft. Omdat God de mens als man en vrouw geschapen heeft (voor elkaar en naar elkaar toe), dient hun wederzijdse liefde een afbeelding te zijn van de absolute en onvergankelijke liefde van God voor ieder mens. Deze liefde tussen man en vrouw waar Gods zegen op rust, is bestemd om vruchtbaar te zijn en zich te verwezenlijken in de gemeenschappelijke opdracht om de schepping in stand te houden. Een huwelijk nu naar Gods plan vergt derhalve een grote verantwoordelijkheid, een levenslange inzet en toewijding, maar bovenal toch het geloof dat God met jou en je vrouw een plan heeft. Ook hierom kan men nimmer zeggen: het is ‘mijn’ (‘ons’) huwelijk, omdat God welbeschouwd altijd ‘Dritte im Bunde’ is, ook al laat men Hem er vaak buiten.

Pastoor C. Müller

Heer, naar wie zouden wij gaan? Gij zijt het Brood des levens.

In aansluiting op het evangelie van de broodvermenigvuldiging, dat wij 2 weken geleden gehoord hebben, vernemen wij nu meerdere zondagen gedeelten uit de zogenaamde Broodrede van Jezus. Uitgaande van het gewone brood dat het lichaam voedt, spreekt Jezus a.s. zondag (19 aug.) onder meer over het Brood des Levens dat Hijzelf is en dat Hij ons op wonderlijke wijze in elke H. Communie geeft als voedsel voor onze ziel. Voordat Jezus probeert de mensen van dit zo belangrijke mysterie te overtuigen stelt Hij een voorwaarde (zie het evangelie van zondag 5 aug.), waar Hij zegt: “Dit is het werk dat God u vraagt: te geloven in Degene die Hij gezonden heeft” (Joh.6, 29). Inderdaad, het mysterie van de Eucharistie is uiteindelijk niet beredeneerbaar, het is alleen in geloof te aanvaarden. De Eucharistie nu betreft een zeer groot geheim; dat God Zich zo klein maakt om ons nabij te zijn, ofschoon er altijd mensen zullen zijn die hierin niet willen geloven. Het weerhoudt God echter niet om Zichzelf te blijven geven aan ons. Overigens laat ook het Evangelie doorschemeren dat ook in Zijn tijd er moeilijkheden bestonden. Zo kunnen we lezen dat velen van Christus’ leerlingen, na zijn toespraak over het eten van zijn vlees en het drinken van zijn bloed, Hem verlieten. Zij zeiden: “Deze taal stuit ons tegen de borst, en wie is nog in staat, naar Hem te luisteren?” We horen dit in het Evangelie dat op zondag 26 aug. gelezen zal worden. Evenwel, op de vraag van Jezus, of ook de Twaalf wilden heengaan, betuigt Petrus spontaan en vastbesloten zijn eigen geloof en dat van de overige apostelen met het wonderbare antwoord: “Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.” (Joh. 6, 60-68). Mogen dan ook wij die woorden van Petrus ter harte nemen.

Pastoor C. Müller

Van wrok en gramschap … naar Gods liefde

In de 2e lezing van de 19e zondag door het jaar (12 aug.) spreekt de apostel Paulus onder meer over wrok, gramschap, toorn en gevloek. Paulus leert ons dat wij deze boosaardigheid, kost wat kost dienen te mijden, omdat ze ons leven vergiftigt, alsook dat van anderen. Wrok wordt wel omschreven als een blijvend gevoel van onvrede over geleden of vermeend onrecht; dan wel een opgekropt haatgevoel.
Dat wrok een leven kan overschaduwen, kan men aflezen uit het bijzondere verhaal van Hugo Festa, een Italiaanse jongen wiens leven werd getekend door tal van ziekten en kwalen. Maar dat niet alleen, heel vroeg verstoot zijn moeder hem en wordt hij ter adoptie vrijgegeven. Hugo raakt door alles zeer verbitterd en vervloekt allengs God en zijn bestaan. Uiteindelijk belandt hij in een rolstoel. De artsen zien geen enkel lichtpuntje meer. Als hij 34 jaar is, neemt men hem mee naar Lourdes. Nadat hij in de baden is geweest, valt het anderen op dat hij niet meer vloekt. Hij biecht er ook en verzoent zich met God. Toen hij bij de grot verbleef, besefte hij ook dat hij een grote wrok koesterde naar zijn biologische moeder toe (die hem in de steek had gelaten). Aldaar hoort hij een stem, die van de Onbevlekte, die hem vertelt: “Ik ben jouw eerste moeder en alle andere moeders zijn jouw moeder.” Die woorden bewerken een ommekeer in zijn leven, hij beleeft een echte bekering. Daarop besloot hij zijn lijden op te offeren aan God. Nadien moest Hugo nog zware pijnen verdragen. Ze brachten hem tot vertwijfeling. God had evenwel nog een aantal verrassingen in petto. Het gebeurde in Rome waar hij Moeder Teresa leerde kennen alsook paus Johannes Paulus II. Toen hij met zijn rolstoel op het Sint Pietersplein stond tijdens een algemene audiëntie, kwam de paus langs en bleef bij hem stilstaan, mede vanwege de poster van de barmhartige Jezus die Hugo bij zich had. De paus vroeg hem: “Hoe kun je vertwijfeld zijn, als jij in je handen de barmhartige Jezus vasthoudt?” Daarop verwees de paus hem naar het Heiligdom Villa O Santissima, alwaar de Alliantie van de goddelijke Barmhartigheid gevestigd is.
Eenmaal daar aangekomen, leerde hij er zijn moeder te vergeven en God zelfs te danken voor het feit dat ze hem op de wereld had gezet. Hierdoor kwam de haat die in hem woekerde sinds zijn vroege jeugd naar buiten toe en werden de knopen in zijn leven losgemaakt. In het verlengde van zijn vergeving verdween de grond voor zijn haat, die zijn ziel en lichaam al zo lang gevangen hield. De kracht van Gods liefde kon zich vanaf dat moment vrij in en door Hugo heen ontplooien. Op de 4e dag van zijn verblijf in voornoemd heiligdom, hoorde hij een stem, toen hij aldaar voor een icoon van de barmhartige Jezus zat te bidden. Hugo kon het haast niet geloven toen de gestalte van Jezus uit de icoon naar hem toekwam. Opeens voelde hij een beweging en hoorde hij een stem: “Sta op uit je rolstoel.” E.e.a. gebeurde op 2 augustus 1990. Hugo kon voortaan zijn benen gebruiken en zijn epilepsie was verdwenen. Later wordt het wonder bevestigd door een neuroloog en wel volgens de criteria die in Lourdes worden gehanteerd. Dezelfde neuroloog was enige tijd daarvoor voor dezelfde icoon in de Villa O Santissima van een ongeneesbare hersentumor genezen. Nadien heeft Hugo ten overstaan van vele mensen over heel de wereld getuigenis gegeven over Gods oneindige barmhartigheid. Niets was hem teveel. Uiteindelijk wordt hij tijdens een gevaarlijke missie door een crimineel vermoord (22 mei 2005). Het leven van Hugo vormt het bewijs dat God niemand afschrijft, hoe belast en gebroken ook.

Pastoor C. Müller

Brood voor één dag

In de eerste lezing van de 18e zondag door het jaar (5 aug.) horen we het verhaal van Israëlieten in de woestijn. Ze zijn bevrijd en op weg naar het beloofde land. Gaandeweg lijden ze honger. Ze beginnen te morren en denken terug aan de vleespotten in Egypte.
Daarop sprak de Heer tot Mozes: “Ik zal brood voor u laten regenen uit de hemel, de mensen moeten er dagelijks op uit gaan en de hoeveelheid voor één dag verzamelen. Dan kan ik vaststellen of zij mijn leiding willen volgen of niet.
” Het is een opmerkelijke passage, die past bij een van de voornaamste regels in het geestelijke leven, die luidt: ”Leef in het hier en nu en wees niet bezig met morgen.” (Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen leed).
Ja, zijn we bereid dagelijks leiding te ontvangen van Godswege? Menigeen kiest evenwel liever voor het zekere dan voor het ‘onzekere’. Daarom legt menigeen een of meerdere voorraden aan, terwijl God juist vraagt om vertrouwen in zijn leiding én voorzienigheid. Het betreft een les die de Joden leren in de woestijn, dat, als ze meer manna dan voor één dag verzamelen, die ‘voorraad’ bederft.
In het Onze Vader nu staat een soortgelijke zin: “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Het vraagt van onze kant de bereidheid om te geloven in Gods dagelijkse liefdevolle zorg en voorzienigheid. Het is een kwestie van geloof én vertrouwen. Ja, durven we daaruit te leven of luisteren we eerder naar onze verborgen vrees, dan naar Gods beloften?

Pastoor C. Müller

Hoe moeten wij …?

In het Evangelie van de 17e zondag door het jaar (29 juli) vraagt Jezus aan zijn leerlingen, met het oog op de grote menigte: “Hoe moeten we brood kopen om deze mensen te laten eten?” Dit zei Hij om hen op de proef te stellen.
Die vraag van Jezus wordt doorheen de omstandigheden soms ook aan ons gesteld. We worden dan uitgedaagd om iets te volbrengen dat onmogelijk lijkt. Waar de een meteen aan de slag gaat en probeert uit eigen kracht iets te realiseren, daar geeft een ander al snel op. Men weet zich overvraagd.
Daarom is het goed te kijken naar het Evangelie. Jezus vraagt het welbewust zodat de leerlingen leren te onderscheiden. Heiligen beseften dat heel goed. Zo leert de historie ons dat wanneer ze eenmaal helder hadden dat God dit van hen vroeg, zij er voor gingen, in het geloof dat God niet iets vraagt dat onmogelijk te realiseren is. Ze wisten ook dat Hij gaandeweg hen zou helpen om zijn plan te realiseren en wel met hun medewerking, vaker doorheen heel wat weerstanden heen. Maar zij lieten zich hierdoor niet uit het veld slaan, onverlet de schier onmogelijke opdracht.
Vaak is het door die wonderlijke interactie tussen God en de concrete mens dat grote dingen tot stand zijn gekomen, waardoor mensen gaandeweg boven uit zichzelf konden uitstijgen, door God steeds aan het roer te laten.
In het Evangelie benut Jezus iets kleins (te weten 5 broden en 2 vissen) om meer dan 5000 mensen te voeden. Feitelijk vroeg Hij aan zijn leerlingen niet om dat over te nemen wat aan God is, maar veeleer om dat te doen wat hen gegeven was te doen in de concrete omstandigheden, in dit geval het uitdelen van brood en vis.

Pastoor C. Müller

Vakantie – vacare

Het Evangelie van de 16e zondag door het jaar (22 juli) lijkt wel gekozen met het oog op de vakantietijd. Het woord ‘vakantie’ stamt af van het Latijnse ‘vacare’, dat zoveel betekent als ‘vrij zijn, leeg zijn’. Vacare is tegelijk een monastieke term. ‘Vacare Deo’ betekent voor de kloosterling: leeg worden voor God, je van binnen vrij maken zodat Gods stem, die door alle drukte van het alledaagse leven zo gemakkelijk wordt weggedrukt, gehoord kan worden.
In het Evangelie nodigt Jezus zijn leerlingen uit om mee te gaan naar een eenzame plaats om alleen te zijn en er uit te rusten. Hier hebben ze de gelegenheid te reflecteren, maar ook om in alle rust te bidden (= je hart verheffen tot God). Een dergelijke ‘vrije tijd’ is eigenlijk een ‘must’ voor de jachtige mens in onze dagen. Het kan ons helpen te ontdekken waar het nu echt om gaat in ons korte bestaan hier op aarde.

Pastoor C. Müller

Gezonden

In het Evangelie van de 15e zondag door het jaar (15 juli) horen we hoe Jezus de twaalf bij Zich roept en hen twee aan twee uitzendt. Daar voegt Hij aan toe dat ze slechts weinig mee moeten meenemen; geen reiszak, geen kopergeld, geen dubbele kleding.
Hoe anders handelen wij als we op reis gaan. We houden dikwijls met ieder mogelijke weer rekening. We zorgen daarbij veelal goed voor onszelf en willen met onze bagage bij voorbaat iedere mogelijke “verrassing” voor zijn.
Jezus nu vraagt van zijn leerlingen op hun tocht vooral geloof en vertrouwen “mee te nemen”. Naast hun stok, zijn dat hun voornaamste “reisbenodigdheden”. God voorziet blijkbaar in de overige noden. Hij weet ook wie zij zullen ontmoeten.
Het Evangelie prikkelt ons na te denken over onze “zekerheden” en onze bagage. Ja, wat nemen we eigenlijk mee als we die grote laatste reis gaan maken, wanneer we deze aarde moeten verlaten? Feitelijk kunnen we dan niets meenemen van hier, enkel onze liefde, ons geloof en onze goede werken. Het zou mooi zijn om daar in deze vakantietijd eens bij stil te staan om te zien hoe wij ons leven daarop kunnen afstemmen.