Er was eens een zoon …
In de Bijbel vindt men vele bekende verhalen. Zij schetsen ons een beeld van wie God is, vervat in menselijke taal. Tegelijkertijd wordt beschreven wie de mens is, door God geschapen, die meer dan eens zijn roeping uit het oog verliest. In de parabel van de verloren zoon, welke wordt voorgelezen op de 4e zondag van de Veertigdagentijd (31 maart), wordt dit treffend uitgebeeld. Het gaat over een zoon die is vastgelopen en terugkeert naar zijn vader. De vader in het verhaal staat symbool voor God, die uitziet naar zijn zoon, wanneer hij in de verte verschijnt.
De vader wordt door medelijden bewogen en snelt toe op zijn gehavende zoon, die stinkt naar varkens (voor de Joden een gruwel). Hij valt zijn zoon om de hals en kust hem hartelijk.
Het Evangelie gaat over weggaan en terugkeren, over jezelf verliezen en omkeren. We kennen de parabel als het verhaal over de verloren zoon. Iemand merkte ooit op: Beter is het wellicht te noemen de parabel over de teruggevonden vader. De figuur van de vader gaat immers over God die naar ons uitziet en niets anders wil dan dat wij ons tot Hem keren, ongeacht de staat waarin we ons bevinden. Gods liefde blijft steeds naar ons omzien, ook dan wanneer wij opgaan in ons eigen bestaan en Hem zijn vergeten die ons geschapen heeft. In deze Vastentijd is het van belang te zien waar we ons bevinden - geestelijk gesproken; al dan niet ver verwijderd van God onze Vader, opdat ook wij tot Hem mogen terugkeren. God is immers altijd “thuis”, laat zich vinden voor wie wil thuiskomen.

Pastoor C. Müller

Bekering
In de Veertigdagentijd bereiden we ons voor op het grote feest van Pasen. De vastentijd doet een beroep op ons, om ons te bezinnen. Om je om te keren. In het Evangelie van de 3e zondag van de Veertigdagen-tijd worden we daartoe aangespoord: “Als gij u niet bekeert …”; het staat er zelfs tweemaal.
Blijkbaar weet de evangelist dat wij mensen vaker dralen als het gaat om “bekeren”. Dat bekeren veronderstelt een omkeren naar God en een afkeren van dat wat zondig is en afbreuk doet aan ons geschapen zijn naar Gods beeld en gelijkenis.
Deels is onze bekering het werk van de Heer, deels dat van onszelf. Bekering begint vaak met “je aangesproken weten”, met het besef dat er een God is, die een plan met je heeft, ook al ken je dat plan nog niet. Je kunt God in dit verband vergelijken met een magneet. Eenmaal in de buurt van die magneet, gebeurt er iets. Er is sprake van een aantrekkingskracht. Ja, zoals een stukje ijzer “zich aangetrokken voelt” door een magneet (eveneens van ijzer); zo is er ook een zekere gelijkenis tussen God en de mens, die door Hem geschapen is.
Bij bekering gaat het echter niet alleen om God, ook het aandeel van de mens daarin is van belang. Ja, wat doe jij ermee, als je gewaar wordt dat God Zich laat kennen, en jou uitnodigt Hem meer nabij te komen? Het gelijkt op dat proces dat zich voltrekt tussen 2 verliefde mensen.
Zo kunnen zij verliefd zijn op elkaar, zonder elkaar nog goed te kennen. Je bekeren betekent heel concreet dat jij je naar de Ander keert, die groter is dan jijzelf. Wanneer je vervolgens God beter leert kennen, wil je ook anders leven, béter leven. Zoals iemand die verliefd is veelal een betere versie van zichzelf ontwikkelt, dankzij de liefde van en voor die ander; zo verandert een gelovige ook door zijn omgang met God die de liefde zelf is. Welnu, zoals een zonnebloem gewoon is zich te richten naar de zon, zo mogen wij juist in deze tijd ons richten naar God, die voor ons Licht wil zijn.

Pastoor C. Müller

Verheerlijking op de berg …
Ons leven bestaat uit ups en downs. Naast hoogtepunten, zijn er ook dagen die ons zwaar vallen. Welbeschouwd is ons leven een mysterie. Waarom dingen gebeuren, ons te beurt vallen, dikwijls weten we dat niet. Dat laatste geldt in het bijzonder voor de zgn. bijna-dood-ervaring. Het is zo buitengewoon, dat zij die dit hebben meegemaakt, daar nauwelijks woorden voor kunnen vinden om die ervaring te beschrijven. In het Evangelie van de 2e zondag van de Veertigdagentijd horen we hoe 3 leerlingen van Jezus op de berg Tabor opeens een blik vergund wordt op de verheerlijkte Jezus. Ze zien voorbij aan de gewone werkelijkheid Jezus in een hemels licht. Het heeft iets weg van een bijna-dood-ervaring. Ook zij wensen in die andere werkelijkheid te blijven, omdat deze onze wereld oneindig te boven gaat (“Laten we drie tenten bouwen”). Bijzonder is in dit verband het zgn. “Memorial”, een tekst die men vond op het lichaam van Blaise Pascal (een wiskundig genie) na zijn dood in 1662, waarin hij verslag doet van een soortgelijke buitengewone ervaring.

Het Jaar des Heren 1654. Maandag, 23 november, vanaf ongeveer half elf tot ongeveer half een 's nachts. “Vuur!!! 'God van Abraham, God van Isaac, God van Jacob', niet die van wijsgeren en geleerden. Zekerheid. Zekerheid. Aandoening. Vreugde. Vrede. God van Jezus Christus. 'Uw God zal mijn God zijn.' De wereld vergeten, en alles, buiten God. Hij wordt slechts gevonden langs de wegen, die in het Evangelie worden geleerd. Grootheid van 's mensen ziel.
'Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet erkend, maar ik heb U gekend.' Vreugde, vreugde, vreugde, tranen van vreugde. Ik heb me van Hem afgescheiden: 'Mijn God, zult Gij mij verlaten?' Dat ik in eeuwigheid niet van Hem gescheiden worde. 'Dit is het eeuwig leven, dat zij U kennen, de enig ware God, en Dien Gij gezonden hebt, Jezus Christus.' Jezus Christus! Jezus Christus!
Ik heb mij van Hem afgescheiden; ik ben voor Hem gevlucht, heb Hem verloochend, gekruisigd. Dat ik nooit van Hem gescheiden worde! Men kan Hem slechts bij zich houden langs de wegen, die in het Evangelie worden geleerd. (… ) Amen.”

 

Tot zover zijn getuigenis, die ons in deze Vastentijd mag aansporen stil te staan bij de Persoon van Jezus Christus.

Pastoor C. Müller

Over zien en oordelen

In het Evangelie van de 8e zondag door het jaar (weekend 2-3 maart) spreekt Jezus over de spreekwoordelijke ‘splinter en balk’. Het betreft een bekende gelijkenis, waarbij het gaat over hoe wij kijken naar de ander en onszelf. Zo merken we dikwijls eerder iets op bij de ander dat onvolmaakt is, dan bij onszelf. Jezus draait het welbewust om: “Haal eerst de balk uit uw eigen oog, dan zul je scherp genoeg zien om de splinter in die van de ander te kunnen verwijderen.”

Derhalve, oordeel niet, want wij mensen zijn, wanneer het gaat om de zaken van de ander helaas vaak bijziend. Ja, hoe goed kennen we de ander? Kennen we zijn verdriet? Kennen we haar verleden? Hebben we weet van de angsten van de ander, waarover hij nooit spreekt? Kennen we zijn nood, die schuilgaat achter zijn ogenschijnlijk ‘vreemd’ gedrag? Het is door te oordelen dat we de ander ‘gemakshalve’ in een hokje stoppen; allesbehalve recht doen aan wie hij echt is. Blijkbaar willen we de mensen om ons heen ‘labelen’. Het lijkt soms een soort bezwerings-behoefte. Daarom; draai het eens om. Stel je eens voor dat de ander naar jou kijkt met die diezelfde kritische blik die jij hanteert, als het gaat om anderen.

Beter is het oordeel aan God over te laten, indachtig de passage waar staat: “Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. Want met het oordeel dat gij velt, zult gij geoordeeld worden en de maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken.”(Mt. 7,1-2). Evenwel, dien je uit hoofde van je rol als ouder, leerkracht, rechter een oordeel uit te spreken, dan is het goed het te doen als christen, die zijn eigen balk(en) heeft gezien en … verwijderd.

Pastoor C. Müller

Bemint uw vijanden (Lucas 6,27)

In het Evangelie dat hoort bij het weekend van 23-24 februari (7e zondag door het jaar C) vraagt Jezus nogal wat. Welbeschouwd is het geen vragen, maar veeleer een bevel: “Bemint uw vijanden”. Daar voegt Hij aan toe: “Doet wel aan hen die u haten, zegent hen die u vervloeken en bidt voor hen die u mishandelen!”. Ja, overvraagt Jezus ons hier niet?
Als we naar de praktijk kijken, dan kunnen we stellen dat dit Woord van de Heer wel het minst wordt nageleefd. Wrok bijvoorbeeld wordt dikwijls gekoesterd, waardoor het hart van een mens vergiftigd raakt.
Jezus als de kenner van het hart en de ziel van de mens, weet waarover Hij spreekt. Daarom beveelt Hij de enige goede remedie aan, te weten de liefde. Want alleen de onvoorwaardelijke liefde kan het kwade tussen mensen overwinnen en mensen verzoenen.
Vandaar ook de opdracht om wel te doen, te zegenen en te bidden voor hen die u pijn hebben berokkend, dan wel kwaad gedaan. Zo kunnen wij met de hulp van Gods genade anderen helpen ‘te herstellen’, maar ook onze eigen gekneusde hart helen.
Door te vergeven, veranderen we niet ons verleden, maar wel onze toekomst, aldus een geestelijk schrijver. Het is door te vergeven dat we de ander van zijn schuld ontslaan (dat is iets anders dan het kwade zgn. ‘goed’ te praten) en hem / haar een nieuwe kans geven, maar ook onszelf daardoor losmaken van de schaduw van het kwaad dat eens heeft plaatsgevonden. Zonder vergeving blijven we dikwijls vastzitten aan dat wat de ander ons heeft aangedaan. Zo vermenigvuldigen we dikwijls onbedoeld de oorspronkelijke pijn en lopen we zo gaandeweg vast in onszelf en maken we ongewild anderen (veelal onze dierbaren) tot medeslachtoffers van onze pijn en verbittering. God nu wil dat niet, Hij wil ons (en de ander) vrijmaken van al wat ons belast. Maar Hij kan dat alleen als we bereid zijn om met Hem mee te werken en wel door te vergeven, zoals Hij dit heeft gedaan en telkens blijft doen. Het vergt geloof en de bereidheid in eigen hart te zien. Vergeving evenwel levert heel veel op, te weten een vernieuwd leven voor alle betrokkenen.

Pastoor C. Müller

Zaligsprekingen

In het weekend van 16-17 februari (6e zondag door het jaar C) reikt de liturgie van de kerk ons de Evangelie-perikoop aan van de Zaligsprekingen. Men vindt ze in de evangeliën op twee plaatsen, nl. in de Bergrede van Matteüs (5,3-12) en in de corresponderende rede bij Lucas (6,20-26). Lucas laat Jezus deze woorden in de vlakte uitspreken, nadat hij van de berg was afgedaald.

De rede over de Zaligsprekingen wordt door velen betiteld als de 'grondwet van Jezus' koninkrijk'. Onze paus heeft er diverse malen over gesproken/geschreven, onder meer in het kader van de Wereld-jongerendagen. Hieronder volgen diverse passages uit een brief die hij schreef met het oog op de 29e Wereldjongerendagen (Vaticaan 21 januari 2014).

“Wat zegt Jezus ons? Hij laat ons de weg naar het leven zien, de weg die Hij zelf gegaan is. Jezus zelf is de weg, en Hij stelt deze weg voor als het pad naar het ware geluk. In heel Zijn leven, van Zijn geboorte in de stal in Bethlehem tot Zijn dood aan het kruis en Zijn verrijzenis, belichaamde Jezus de Zaligsprekingen.”

“Met de verkondiging van de Zaligsprekingen vraagt Jezus ons Hem te volgen en met Hem mee te gaan over de weg van de liefde, de enige weg die naar het eeuwige leven leidt. Het is geen gemakkelijke reis, maar de Heer belooft ons Zijn genade en Hij laat ons nooit alleen.”

“De Zaligsprekingen van Jezus zijn nieuw en revolutionair. Ze vertegenwoordigen een model van vreugde die in tegenspraak is met wat er gewoonlijk door de media en de gangbare wijsheid wordt doorgegeven. Een wereldlijke manier van denken vindt het schandelijk dat God één van ons werd en aan een kruis stierf!”

“Toen de Zoon van God mens werd, koos Hij de weg van armoede en zelfontlediging. Zoals de heilige Paulus in zijn brief aan de Filippenzen schreef: “Die gezindheid moet onder u heersen die ook in Christus Jezus was: Hij die bestond in de gestalte van God heeft er zich niet aan willen vastklampen gelijk aan God te zijn. Hij heeft zichzelf ontledigd en de gestalte van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden” (Fil. 2, 5-7). Jezus is God die zich van glorie ontdoet. Hier zien we Gods keuze om arm te zijn: Hij was rijk en toch werd Hij arm om ons door Zijn armoede rijk te maken.”

“Je zou mij dan kunnen vragen: Wat kunnen wij precies doen om de Zaligsprekingen een werkelijk onderdeel te doen zijn van ons eigen leven? Ik zal antwoorden door drie dingen te zeggen.

1) Probeer vrij te zijn wat betreft materiële dingen. De Heer roept ons op tot een Evangelische manier van leven die gekenmerkt is door gematigdheid, door een weigering om toe te geven aan een consumeringscultuur.

2) Als we volgens deze Zaligspreking willen leven, moeten we allen een bekering ervaren van de manier waarop we de armen zien. We moeten voor hen zorgen en gevoelig zijn voor hun geestelijke en materiële behoeften. Aan jullie, jonge mensen, draag ik in het bijzonder de taak op om de solidariteit terug te brengen in het hart van de menselijke cultuur.

3) De armen zijn niet alleen mensen aan wie wij iets kunnen geven. Ze hebben ons veel te bieden en te leren. Hoeveel kunnen we leren van de wijsheid van de armen! De armen zijn op een heel werkelijke wijze onze leraren. Zij laten ons zien dat de waarde van mensen niet afhangt van hun bezit of hoeveel geld ze op de bank hebben. Een arm persoon, een persoon zonder materiële bezittingen, behoudt altijd zijn of haar waardigheid. De armen kunnen ons veel leren over nederigheid en vertrouwen op God.” Tot zover enkele passages uit bovenvermelde brief aan de jongeren van Paus Franciscus

 

Pastoor C. Müller

“Is dat niet de zoon van Jozef?”

In het Evangelie van de 4e zondag door het jaar C, dat gelezen wordt in het weekend van 2-3 februari, spreekt Jezus in de synagoge van Nazareth tot zijn dorpsgenoten. Allen betuigden Hem hun instemming en verbaasden zich dat woorden, zo vol genade uit zijn mond vloeiden. Die verbazing nu ligt vervat in een vraag: Is dat niet de zoon van Jozef?
Enerzijds is zijn gehoor onder de indruk, anderzijds is er ook een zekere gereserveerdheid. Welnu, zoals het destijds was, zo is het ook heden. Velen vinden Jezus ook vandaag bijzonder, maar blijven toch op afstand. Destijds waren het deels vooroordelen. Wij kennen gelukkig het hele verhaal. Jezus bespeurt onder zijn gehoor de onuitgesproken vraag om te doen wat Hij elders heeft gedaan (o.m. genezen). Dit gezegd hebbende, attendeert Hij hen erop dat hun hart gesloten is. Het aanvankelijke enthousiasme slaat om in woede. Ze joegen Hem de stad uit, zo staat er. De vraag is dan ook: Hoe zouden wij handelen als Jezus in onze dagen zou verschijnen en spreken als Hij destijds deed in de synagoge van Nazareth? Feitelijk betreft Zijn Woord niet alleen de mensen van Nazareth in zijn dagen, maar gelden ze voor alle mensen van alle tijden.
De kwestie is: Laten wij het ons zeggen?

Pastoor C. Müller