Welke talenten heb je … en wat doe je ermee?

Een van de bekendste parabels uit het Evangelie betreft de gelijkenis over de talenten (Mt.25,14-30). Er was eens een man die zijn bezit aan zijn dienaars toevertrouwde alvorens naar het buitenland te gaan. Een kreeg 5 talenten, de ander twee en de derde één; ieder naar zijn bekwaamheid. Later keert hij terug en roept zijn dienaren bij zich. Wat zouden zij met zijn vermogen hebben gedaan?
Eén talent stond destijds gelijk aan het loon voor 6.000 werkdagen van een dagloner. Omgerekend gaat het om ongeveer de waarde van 25 jaarsalarissen. Bij 5 talenten gaat het om 125 jaarsalarissen. Stel je eens voor … wat voor goeds zou jij daarmee allemaal kunnen doen?
De eerste dienaar weet van de 5 talenten 10 te maken. Voor de eigenaar betekent het onder meer dat hij van de verdiensten 125 mensen een jaar lang zou kunnen voorzien van alle basisbehoeften.
De parabel mag ons aan het denken zetten. Ja, wat doen wij met dat wat God ons in beheer heeft gegeven? Maar ook, zie eens hoe door jouw inzet het leven van anderen ten goede is veranderd doordat jij met je talenten hebt gewoekerd, die God aan ieder van ons heeft gegeven, mede ten bate van anderen?
Soms weten mensen niet goed waarin zij getalenteerd zijn. Welnu, je ontdekt het maar door gewoon te beginnen, je best te doen en God te vragen je daarbij te helpen. Het zijn immers Zijn talenten die Hij jou in beheer heeft gegeven. Maar dat niet alleen. Onze Schepper en Heer houdt daarbij steeds rekening met eenieders bekwaamheid en eenieders geloof. Het is aan ons om er iets mee te doen. Want dat verwacht God van ons. Hij wil dat ons leven tot zegen wordt voor anderen. Moge de Heer dan uw werk en inzet zegenen, ten bate van u, de uwen en derden, en tot meerdere eer en glorie van God.

Pastoor C. Müller

Weest waakzaam …

In het Evangelie van de 32e zondag door het jaar (8 november) wordt de bekende parabel van tien maagden verteld; 5 ervan waren dom, de andere 5 verstandig. De domme keken niet verder dan hun neus lang was, zij namen enkel hun lampen mee, echter geen olie. De verstandige namen naast hun lampen ook olie mee - onderweg naar de bruidegom. Terwijl de bruidegom op zich liet wachten, dommelden allen in. Midden in de nacht werden ze gewekt: “Daar is de bruidegom. Trekt hem tegemoet!” De verstandigen kwamen op tijd (zij hadden olie), de dommen niet.
De parabel gaat over onze waakzaamheid. Ja, zijn we geestelijk gesproken alert, leven we naar het bruiloftsfeest toe met onze bruidegom Jezus Christus, wiens bruid we zijn (beeld voor de kerk)? Misschien hebben ook wij geen olie meer, beeld voor o.m. ons geloof en onze liefde? Kijken we niet verder dan het hier en nu en gaan we zo op in dit leven, dat we überhaupt niet meer verder kijken en uitzien naar het eeuwige leven. Terwijl juist dat het ware leven betreft.
In de moraaltheologie wordt in dit verband over de geestelijke traagheid gesproken, een van de 7 hoofdzonden (acedia). Ja, als christenen dienen we steeds waakzaam te zijn … ‘”want gij kent dag noch uur”. Het is en blijft zaak alles in een groter perspectief te zien en onze blik niet te versmallen tot enkel deze werkelijkheid, die zo vergankelijk is.

Pastoor C. Müller

Allerzielen
Ieder jaar gedenkt de Kerk na het Hoogfeest van Allerheiligen hen die overleden zijn, maar nog niet bij God. Feitelijk bidt zij niet alleen met Allerzielen voor de overledenen, maar doet ze het bij monde van de priester tijdens iedere H. Mis. Door Zijn Levensoffer heeft de Heer de hemel ontsloten. Jezus is de Middelaar, de Verlosser, de Heiland. Aan Hem mogen we niet alleen onszelf toevertrouwen, maar ook onze dierbaren, die ons ontvallen zijn. Aan Hem mogen we hen toevertrouwen, indachtig ook Zijn gebed voor alle leerlingen ten overstaan van Zijn en Onze Vader: “Heilige Vader, bewaar in uw naam hen die gij mij gegeven hebt, opdat zij één mogen zijn zoals wij.” (Johannes 17,11). Goed is te weten dat ons bidden voor de overledenen onze band met hen versterkt. Ze zijn immers niet weg, hun ziel leeft verder – tegelijkertijd dichtbij en veraf.

Gebed voor een gestorvene
Jij, die omgeven wordt door licht - ik weet: je dood is een geboorte. Jouw leven hier is voltooid, daarom ging je heen, terug naar het stralende licht, naar Hem die jou geschapen heeft. Moge God je zegenen op jouw weg naar Hem toe. Liefde is sterker dan de dood, ze blijft ons verbinden, over alle grenzen heen. Dat God jou in Zijn Liefde moge bergen! Adieu.

Pastoor C. Müller

Wat is het voornaamste?

Het Evangelie van de 30e zondag door het jaar (25 okt.) is kort, daarom geef ik het hieronder in het geheel weer: “In die tijd kwamen de Farizeeën bijeen, toen zij vernamen dat Jezus de Sadduceeën de mond gesnoerd had. En een van hen, een wetgeleerde, vroeg Jezus om Hem op de proef te stellen: Meester, wat is het voornaamste gebod in de Wet? Hij antwoordde hem: Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten.”

Ja, “all you need is love”. Maar wat is dat: liefde? Is het enkel de ander bijzonder vinden en warme gevoelens koesteren voor hem of haar? Omvat liefde niet veel meer, oneindig meer? Begint zij niet bij God, die de liefde zelve is en die ons geschapen heeft naar zijn beeld en gelijkenis? Vandaar ook die rangorde, God eerst en dan de naaste.
De moderne mens ziet dat anders, zijn liefde is veelal enkel iets van hemzelf: “Ik hou van …”. Maar klopt dat wel? Is ons vermogen om te beminnen niet allereerst ons door God geschonken? Zonder Hem, naar wiens beeld we geschapen zijn, zouden we waarschijnlijk niet eens weten wat liefde is. Daarom is het goed “onze” liefde steeds te gronden in die van Hem. Ja, laat je liefde schragen door Zijn liefde (conform de theologie van het sacrament van het huwelijk). Dan leren we pas echt lief te hebben, onvoorwaardelijk, zoals God het bedoeld heeft, indachtig Jezus’ woorden: “Een nieuw gebod geef Ik u: dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad.”

Pastoor C. Müller

Oktobermaand – Mariamaand

Oktober betreft de maand van de Rozenkrans. Het gebruik om jaarlijks de hele maand oktober in het teken van de rozenkrans te stellen, dateert uit de 19e eeuw. Het was paus Leo XIII (1878-1903) die een intensere Maria-devotie in deze maand bevorderde door zijn oproep om extra vaak de rozenkrans te bidden. Opmerkelijk is dat Leo in totaal tien encyclieken over het rozenkransgebed schreef. Alle werden gepubliceerd in september, ter voorbereiding van de daaropvolgende rozenkransmaand. Alle pausen na Leo XIII hebben in navolging van hem de gelovigen opgeroepen in oktober extra tijd aan de rozenkrans te besteden. Het is een uitbreiding van het liturgische feest van Maria Koningin van de Rozenkrans op 7 oktober. Deze viering werd ingesteld door de heilige paus Pius V in 1571. Hij had de christelijke overwinning van de Slag bij Lepanto (7 oktober 1571) toegeschreven aan het bidden van de rozenkrans, waartoe hij speciaal had opgeroepen.
Het rozenkransgebed werd gepropageerd door de orde der Dominicanen, waartoe Pius V zelf ook toe behoorde. Volgens een legende was de Rozenkrans een geschenk van de Heilige Maagd Maria aan Sint Dominicus (1170-1221), stichter van de dominicanen. Maria zou de rozenkrans hebben gegeven als wapen in zijn strijd tegen de Albigenzen. Naast de 7e oktober kwam er na 1917 nog een andere belangrijke oktoberdag voor Maria-vereerders bij: de 13e, de herdenkingsdag van het zogenoemde Zonnewonder van Fatima, dat plaatsvond op 13 oktober 1917. Een menigte van circa 70.000 belangstellenden en nieuwsgierigen namen toen bij Fatima (Portugal) een bovennatuurlijk kosmisch fenomeen waar. Uit getuigenverslagen bleek dat velen bang waren dat de zon zich op de biddende menigte zou storten. De mensenmassa stond op een veld verzameld rond drie herderskinderen: Lucia Dos Santos, Jacinta Marto en Francisco Marto. Zij beweerden dat op 13 mei 1917 Maria voor het eerst aan hen was verschenen.
Vóór het Tweede Vaticaans Concilie (11 okt.1962 t/m 8 dec.1965) was het heel normaal dat de rozenkrans, of 1/3 deel daarvan ('rozenhoedje'), in katholieke huisgezinnen werd gebeden. Na de sociaal-culturele wendingen van de jaren zestig raakte deze praktijk in onbruik. Toch wordt in veel parochies in oktober nog steeds gezamenlijk de rozenkrans gebeden (o.m. in Velden op de zondagen vóór de H. Mis). In Velden bidden we ook door het jaar de rozenkrans en wel op donderdag- en vrijdagochtend na de H. Mis.
Het bidden van een rozenkrans gaat gepaard met het gedenken van geloofsgeheimen. We kennen er twintig. Per vijf gegroepeerd staan deze bekend als de 'blijde', de 'droevige' en de 'glorievolle' geheimen. In 2002 heeft paus Johannes Paulus II, bij het begin van het Jaar van de Rozenkrans, daar de 'vijf geheimen van het Licht' aan toegevoegd. Bij elkaar geven de 'geheimen' een soort samenvatting van het evangelie. Hierdoor kan het bidden van de rozenkrans iemand duidelijker bewust maken van de bijbelboodschap.

Pastoor C. Müller

Verantwoording dragen

In het Evangelie van zondag 4 oktober (27e zondag door het jaar) vertelt Jezus wederom een parabel. Het gaat over een landeigenaar die een wijngaard aanlegt. Vervolgens verpacht hij de wijngaard, maar de pachters deugen niet. Ze dragen niets af van de oogst en doden zelfs de dienaren die de pacht kwamen innen. Vervolgens zendt de eigenaar andere dienaren. Ook zij worden mishandeld. Tenslotte stuurt de eigenaar zijn zoon, in de veronderstelling dat ze hem wel zullen sparen. Maar ook hij wordt gedood.
De parabel fungeert welbeschouwd als een spiegel voor Jezus’ tijdgenoten. Net als zij, zullen ook eens wij verantwoording moeten afleggen aan de landeigenaar (God) voor wat wij al dan niet hebben gedaan met datgene dat Hij ons in beheer heeft gegeven.
De parabel illustreert hoe ver Gods liefde gaat, door Zijn Zoon te zenden. Bijzonder is te zien hoe God in zijn heilsplan zelfs de moord op zijn Zoon opneemt. Dat alles omwille van ons mensen, die Hij heeft gered door het Offer van zijn Zoon. Het mag ons enerzijds dankbaar stemmen; anderzijds ook bewust doen zijn van eenieders grote verantwoordelijkheid. Immers, van ieder van ons zal op het eind van ons leven gevraagd worden: Wat heb jij gedaan, hoe vruchtbaar is jouw leven geweest? Heb je gewoekerd met dat wat ik jou in beheer heb gegeven, of zag jij het allemaal als jouw eigen zaak?

Pastoor C. Müller

Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan?

Bovenstaande vraag is ontleend aan het Evangelie van de 26e zondag door het jaar (zondag 27 sept.). Jezus vertelt zijn gehoor een verhaal over een vader die 2 zonen had. Tot de eerste zei de vader: “Ga vandaag werken in mijn wijngaard.” Goed vader – zei de zoon, maar hij deed het niet. De andere zoon merkte op: “Neen, ik wil niet”. Later kreeg hij spijt en ging toch. Jezus vroeg daarop aan zijn gehoor: “Wie van de twee heeft nu de wil van de vader gedaan?”. De parabel wil ook ons aan het denken zetten. Ja, hoe gaan we om met dat wat God ons opdraagt? Er wordt hier immers niet gesproken over ‘vragen’. Nee, het is een opdracht: “Ga vandaag werken in mijn wijngaard.”
We kunnen ons mogelijk herkennen in beide zonen. De ene keer zeggen we iets toe, maar handelen er niet naar. Of we laten het aanvankelijk afweten, om in 2e instantie toch dat te doen wat ons is opgedragen. Van belang is te zien dat God van ieder van ons iets verwacht. In elke opdracht zit feitelijk een les verborgen; het is door het te doen, dat we gaandeweg ontdekken wie wij zelf zijn en wat onze (on)mogelijkheden zijn; maar ook en vooral wie God is. Door Gods wil te volbrengen, zal God ons zegenen. Op onze beurt zullen wij -door het goede te doen- dat God van ons verlangt- een zegen zijn / worden voor anderen.

Pastoor C. Müller