Allerzielen                                                                                                                            

November, kil en grijs, nodigt ons elk jaar weer uit tot eerbied en stil gebed. Met Allerzielen staan we stil bij onze dierbaren die ons ontvallen zijn; speciaal bij hen van wie we in het voorbije jaar afscheid moesten nemen. Ieder van ons draagt daarin zijn eigen verdriet. Allen voelen we het gemis van hen die we goed gekend hebben. Wij mensen nu hebben een lichaam, dat vergankelijk is, maar ook een ziel, die onsterfelijk is, die eeuwigheidswaarde heeft. Daarom bidden we als Kerk steeds voor hen die overleden zijn en die veelal tijdens hun leven hier ook voor ons hebben gebeden. Dat bidden helpt niet alleen hen, maar ook diegene die bidt. We ontvangen er kracht en troost door. Gebed verbindt over de grenzen van de dood.

God, onze Vader, aan mensen die angstig zijn voor de dag van morgen en bezorgd uitkijken naar de toekomst, verzekert Gij dat niemand buiten Uw aandacht valt. Doe ons groeien in vertrouwen. God, Gij die wilt dat niemand verloren gaat, doe onze gestorven dierbaren opstaan en leven in Uw onvergankelijk licht. Amen.

Pastoor C. Müller

“Maak dat ik zien kan”                                                                                 

Als Jezus weer uit Jericho weggaat (aldus het Evangelie van zondag 24 oktober), hoort Hij een blinde bedelaar luidkeels roepen: “Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!”

Velen snauwden hem toe te zwijgen. Bartimeus begon evenwel nog harder te roepen. Jezus roept daarop de blinde. De omstanders (die hem eerst zeiden te zwijgen) merken nu op: “Heb goede moed, sta op, Hij roept u”. Eenmaal bij Jezus, zegt hij: “Rabboeni, maak dat ik zien kan”. Jezus zegt daarop: “Ga, uw geloof heeft u genezen”. Bartimeus kon terstond zien en sloot zich bij Jezus aan.

Wat opvalt is dat in dit bijbelfragment het werkwoord “roepen” vaker voorkomt. Het verwijst zowel naar de fysieke afstand tussen Jezus en de blinde, alsook naar de ernst van zijn nood. Opmerkelijk is dat de menigte hem eerst afsnauwt - hij moet zwijgen. De blinde ziet evenwel verder, met de ogen van zijn geloof, en laat zich niet van de wijs brengen. Dat snauwen van de omstanders werkt zelfs averechts, Bartimeus begint nog harder te roepen. Jezus laat hem daarop bij Zich roepen. De omstanders helpen opeens de man, die ze eerst niet zagen zitten, Ja, heb goede moed! Eenmaal bij Jezus vindt er genezing plaats. Jezus verduidelijkt: “Uw geloof heeft u genezen”.

Het gebeuren mag ons aan het denken zeggen. Hoe kijken wij en wat zien we wél en niet, indachtig de menigte, indachtig de blinde? Zien met de ogen van het geloof betreft een “nieuwe” vorm van waarnemen. De blinde ”zag” meer dan de omstanders die konden zien, maar ziende toch “blind” waren. Onwillekeurig doet het je denken aan dat tafereel waar de ongelovige Thomas voor het eerst de verrezen Heer ontmoet. Toen zei Jezus tot hem: 'Omdat ge Mij gezien hebt gelooft ge? Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.' (Johannes 20,29).

                                                                                                                       Pastoor C. Müller

“Wie onder u groot wil worden moet dienaar van u zijn” (Mc. 10)  

In het Evangelie van zondag 17 oktober (29e zondag door het jaar) gaat het onder meer over dienen. De eerste en tweede lezing verwijzen ook naar dat dienen. In onze dagen werken velen in de zorg en in het onderwijs, bereid tot dienen. En dat is goed.

Jezus gaat evenwel veel verder: “Wie onder u groot wil worden moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn moet aller slaaf wezen, want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en om zijn leven te geven als losprijs voor velen.” Zijn dienen ging zover dat Hij als Zoon van God bereid was zijn leven te geven. Die bereidheid om te dienen zoals Christus Zelf betreft het keurmerk voor iedere ware Christen.

In de volledige gave van zichzelf wordt dat wat we doen geheel puur en waarachtig. Door zó te dienen gelijken we meer en meer op de Heer zelf. Daardoor brengen we God eer alsook aan de naaste, omdat ons handelen verstoken is van enig eigenbelang. Mensen als Moeder Teresa hebben laten zien wat ware liefde vermag. Door hun radicale inzet hebben zij de armen verheven. Een van hen zei vlak voor zijn sterven tegen haar: “Ik weet nu dat God bestaat, dankzij mensen zoals u”.  Ja, wees bereid tot dienen zoals Jezus zelf. Tot heil van anderen.

Pastoor C. Müller

De rijke jongeling                                                                                         

In het Evangelie van zondag 10 oktober (28e zondag door het jaar) wordt ons een parabel voorgehouden. Het gaat over een rijke jongeman die Jezus ontmoet. Deze vraagt Hem: “Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?” Jezus spreekt daarop over de 10 geboden. De jongeling merkt op dat hij ze onderhouden heeft van zijn jeugd af. Jezus kijkt hem vervolgens liefdevol aan en vervolgt: “ Eén ding ontbreekt U, ga verkopen wat je bezit en geef het aan de armen (daarmee zult ge een schat bezitten in de hemel) en kom dan terug om Mij te volgen.” De jongen gaat vervolgens ontdaan heen, omdat hij vele goederen bezat.

Boeiend is te zien hoe Jezus de jongeling niet zozeer wijst op een “moeten” (indachtig de vraag ”Wat moet ik doen …), maar wel op een laten. Ja, laat je rijkdom hier achter, want er is een andere (geestelijke) rijkdom. Velen associëren welzijn met “hebben” (onze materiële rijkdom). Maar gaat het feitelijk niet om ons “zijn”. Ja, wie ben jij? Ben je niet oneindig meer dan wat je meent te hebben?

Mensen zoeken geluk vaak in het hebben, in de controle, in het be-grijp-en, in de zelfredzaamheid. Terwijl juist het leven ons leert, dat we welbeschouwd heel veel niet in de hand hebben. Is het niet beter te vertrouwen op God, die met ieder van ons een plan heeft en te geloven in zijn liefde en Zijn plan met u? Dan zult u gaandeweg ontdekken dat ware rijkdom vooral te vinden is in het liefhebben van God en de naaste.

Jezus zei tot de jongeling: “Eén ding ontbreekt U, ga verkopen wat je bezit”. Die zin mag ons aan het denken zetten, juist omdat de man meende dat er niets ontbrak. Welnu, waarover hij niet beschikte, dat was zijn vrijheid om los te laten. Iets dergelijks zien we ook in onze dagen. Hoe veel mensen worden ook thans niet bepaald door wat ze bezitten? Velen zijn paradoxaal juist daardoor gebonden en onvrij, ofschoon velen menen dat rijkdom vrijheid schept. Jezus nu leert ons verder te kijken.

Pastoor C. Müller

Oktobermaand - Mariamaand                                                                     

In de katholieke kerk is de maand oktober gewijd aan de rozenkrans. De keuze voor deze maand hangt samen met de liturgische gedachtenis van Maria van de Rozenkrans op 7 oktober. Deze viering werd ingesteld door paus Pius V in 1571. Hij had de christelijke overwinning van de Slag bij Lepanto (7 oktober 1571) toegeschreven aan het bidden van de rozenkrans. Het rozenkransgebed werd gepropageerd door de orde der Dominicanen, waartoe Pius V zelf ook behoorde. Volgens een oude overlevering was de rozenkrans een geschenk van de Heilige Maagd Maria aan Sint Dominicus (1170-1221), stichter van de dominicanen. Maria zou de rozenkrans hebben gegeven als wapen in zijn strijd tegen de Albigenzen. Het gebruik om jaarlijks de hele maand oktober in het teken van de rozenkrans te stellen, dateert uit de 19e eeuw. Het was paus Leo XIII (1878-1903) die een intensere Maria-devotie in deze maand heeft bevorderd door zijn oproep om extra vaak de rozenkrans te bidden. Opmerkelijk is dat Leo XIII in totaal tien encyclieken over het rozenkransgebed schreef. Alle werden gepubliceerd in september, ter voorbereiding van de daaropvolgende rozenkransmaand. Alle pausen na hem hebben de gelovigen opgeroepen in oktober extra tijd aan de rozenkrans te besteden. Het bidden van een rozenkrans gaat gepaard met het gedenken van geloofsgeheimen. We kennen er twintig (4 x 5). Naast de zgn. 5 'blijde', kennen we ook de 5 'droevige' en de 5 'glorievolle' geheimen. In 2002 heeft paus Johannes Paulus II, bij het begin van het Jaar van de Rozenkrans, daar de 'vijf geheimen van het Licht' aan toegevoegd. De 20 geheimen vormen een samenvatting van het Evangelie. Door het bidden van de rozenkrans wordt men meer bewust van het leven, lijden, sterven en verrijzen van Jezus Christus
.
Pastoor C. Müller

Dreigt uw hand u aanleiding tot zonde te geven, hak ze af (Mc. 9,43)

Jezus kennen we als zachtmoedig, vredelievend en beheerst. Anderzijds is Hij ook duidelijk, ja onverbiddelijk als het gaat om de zonde (aldus het Evangelie van zondag 26 september). Want de zonde doet ons van God vervreemden. Maar dat niet alleen, de zonde doet ons óók van de naaste vervreemden, alsook van onszelf.

Onlangs was ik wederom in Medjugorje, in Bosnië-Herzegovina. Het betreft een bedevaartplaats waar heel veel wordt gebiecht. Maria wordt hier vereerd onder de titel “Koningin van de vrede (en de verzoening)”. Drie middagen nam ik plaats in een van de vele biechtstoelen, om er biecht te horen. Mensen die vele jaren vervreemd zijn geweest van God en zijn Kerk, vinden hier de weg terug. Vaker dacht ik aldaar aan de parabel van de verloren zoon, die na een leven van zonde en verkwisting terugkeerde naar zijn vader. Mensen worden in Medjugorje geraakt door Gods genade en beseffen er dikwijls hoeveel rampspoed hun eigen zondigheid henzelf en anderen heeft berokkend. Ja, zonde kan mogelijk een kortstondig plezier dan wel voordeel opleveren, de nasmaak blijkt veelal bitter. Door te biechten nemen mensen hun eigen verantwoordelijkheid serieus en mogen ze ervaren hoe barmhartig God is. Tegenover het “neen” van de zonde, staat in de biecht het “ja” van God, die steeds bereid is om te vergeven. Het is en blijft een groot mysterie te zien hoe mensen soms vele jaren ronddwalen en anderen en zichzelf veel kwaad berokkenden, om later zich te verzoenen met God en de naaste. De levensbiechten van deze en gene laten je als priester niet onberoerd. Maar dat niet alleen. Velen belijden ook hun innerlijke nood, die het gevolg is van een leven van moreel verkeerde keuzen, die meer dan eens verband houden met de zondigheid van een ander, die grote wonden heeft geslagen in het leven van de betreffende boeteling. Zo leidt dikwijls het kwaad van de een (bijv. een vader) tot kwaad in het leven van de zoon (die hiermee in opstand komt tegen zijn vader en zo zijn gramschap botviert tegenover hem en anderen). Zonden beperken zich eigenlijk nooit tot de zondaar zelf. Anderen leiden er ook onder (niet zelden diegenen die de zondaar zeer nabij staan). Jezus nu, Hij weet waarover Hij spreekt. Hij gruwt van de zonden. Hij heeft er ook een uitzonderlijke prijs voor betaald, te weten Zijn leven.

Pastoor C. Müller

 

 

 

Als iemand de eerste wil zijn … (Mc. 9,30-37)                                            

Vraagt Jezus niet te veel? Is het wel te volbrengen? Deze en andere vragen stellen mensen soms, al is het zelden hardop. Iets dergelijks vinden we ook terug in het Evangelie. In het Evangelie van zondag 19 september (25e zondag door het jaar) staat dat de leerlingen er voor terug schrokken om Jezus te ondervragen, over hetgeen Hij zei over zijn naderend lijden, sterven en verrijzen.

Later vraagt Hij hun waar ze onderweg over hadden getwist. Ze zwegen, zo staat er. Uit de tekst blijkt dat het ging over de vraag wie de grootste was. Uit de reactie van Jezus mogen we opmaken, dat Hij desondanks wist waarover ze hadden gesproken, ofschoon ze tegenover Hem zwegen. Jezus houdt hen dan voor: “Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten wezen en de dienaar van allen.” Dit woord van de Heer past helemaal bij een andere beroemde zin: “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld” (Joh. 18,36).

Jezus nu, Hij denkt anders, draait vaak zaken om. Het gaat bij Hem niet om winnen, om status, om rijkdom; dat zijn zaken van de wereld. Wat blijvende waarde heeft, dat is onze liefde. Wie liefheeft, denkt vooral aan de ander en is bereid te dienen. Met die grondhouding bouwen we aan een betere wereld, waarin ook de zwakke meetelt en niet alleen hen die succes hebben en dikwijls vooral oog hebben voor hun eigen drijfveren. De geschiedenis laat het ook zien. Grote figuren als Franciscus, Don Bosco, Ignatius en vele anderen, die hun leven geheel in dienst stelden van anderen, laten nog steeds een onuitwisbare indruk achter, terwijl vele andere “prijswinnaars” allang vergeten zijn. Ja, wereldse roem en rijkdom blijkt heel vergankelijk. 

                                                                                                                      

Pastoor C. Müller