Weest waakzaam                                                                                        

In onze hectische tijd eisen heel wat zaken onze aandacht op. Dan kan het gebeuren dat we min of meer verdeeld raken. Onze aandacht raakt meer en meer versnipperd. We  verliezen ons in tal van details en afspraken. Wat echt belangrijk is, raakt gaandeweg uit beeld, terwijl het er aanvankelijk om ging alles te overzien en alle spreekwoordelijke ballen in de lucht te houden. De moderne mens als goochelaar, die gaandeweg bijziend is geworden. Duidelijk moge zijn dat zo’n leven vaak leidt tot een chronisch moe zijn in meerdere opzichten. Sommigen stranden in een burn-out; anderen trekken zich terug, keren zich af.

In het Evangelie roept de Heer ons op tot waakzaamheid. Ja, weest waakzaam; leer te onderscheiden, immers niet alles is belangrijk en voornaam. Mensen merken het soms pas op, als ze alles hebben verloren. Dan zien ze weer waar het eigenlijk om gaat, om wat wezenlijk is en wat bijzaak. Het is best jammer, dat velen dit niet meer opmerken. Men wil alles meemaken, zien, en ervaren. Daardoor merkt men paradoxaal veel juist niet meer op. Zo kunnen mensen gaandeweg vervreemd raken van zichzelf en de ander.

Door te onthaasten, door opnieuw te kiezen en de tijd anders in te delen, kan men een draai geven aan het eigen bestaan. Corona heeft de mens weer doen nadenken over zijn eigen drijfveren. Maar is het voldoende? Dienen we niet nog verder te kijken? Immers, een mensenleven is zo voorbij. Ja, moge onze waakzaamheid verder reiken dan de eigen horizon, het eigen bestaan. De klimaatcrisis spoort ons daartoe thans aan, maar al veel eerder het Evangelie. Ja, weest waakzaam. Eens zullen ook wij hier alles moeten loslaten. In dat licht krijgt alles wat we doen en hebben gedaan een andere context, het overwegen waard.

Pastoor C. Müller

Sint Willibrordus  (658 - 739)                                                           

Op zondag 7 november vieren we het Hoogfeest van de H. Willibrordus, bisschop, verkondiger van ons geloof en patroon van de Nederlandse Kerkprovincie. Hij werd geboren als zoon van pas bekeerde ouders en werd als jong kind door zijn vader Wilgis als oblaat toevertrouwd aan Benedictijnen nabij York in Engeland, voordat zijn vader zelf als kluizenaar ging leven. Toen hij vijftien was legde Willibrordus de gelofte af, kreeg het monnikshabijt en de tonsuur. Bij hem groeide de wens op pelgrimstocht (peregrinatio) te gaan. Op zijn 20e vertrok Willibrordus naar Ierland. In de Abdij van Rathmelsigi onderwierp hij zich onder abt Egbert aan een regime van strenge tucht. Hij zou er dertien jaar blijven. Willibrordus was er getuige van Egberts gestrande missie naar Frisia en de vruchteloze Friese missie van Wigbert. Tien jaar later (30 jaar oud) werd hij in 688 tot priester gewijd. In 689 behaalde de Frankische hofmeier Pepijn van Herstal een grote overwinning op de Friese koning Radboud en kreeg Frisia citerior (gebied ten zuiden van de Rijn) in handen. Willibrordus’ wens om de Frisii te bekeren kon nu in vervulling gaan. Hij begon met zijn kersteningsmissie van de Friezen. Van daaruit bezocht Willibrordus een groot gebied dat zich uitstrekt van de Lauwerszee tot België en Luxemburg toe. Door de steun van Pepijn van Herstal kreeg hij van de Frankische adel een groot aantal landgoederen. Hij zorgde er voor dat veel kerken en kloosters werden gebouwd en gesticht. Willibrordus stierf op 7 november 739 (81 jaar) en werd op eigen verzoek begraven in Echternach. Rond zijn persoon bestaan tal van legenden, waaronder de volgende:

“Vanaf het allereerste moment van Willibrordus' bestaan was het duidelijk, dat God bijzondere plannen met hem had. Zijn moeder, een vrome christelijke vrouw, had in haar slaap een merkwaardig droomgezicht. Zij meende aan de hemel een nieuwe maan te zien rijzen, die geleidelijk al maar voller werd. Op het moment dat het een compleet volle maan was, viel deze uit de hemel zomaar in haar mond. Inwendig werd zij er helemaal door verlicht, en een prachtig schijnsel scheen uit haar buik te komen. De volgende dag ging zij met haar droom onmiddellijk naar de vrome, oude priester van het kerkje bij haar in de buurt. Deze vroeg, of zij vannacht gemeenschap had gehad met haar man. Met enige schroom bevestigde zij dat. Daarop antwoordde de oude wijze priester: 'De maan die u hebt gezien in uw droom, stelt het kind voor dat u vannacht hebt ontvangen. Het zal het licht der waarheid laten stralen in de duisternis van het heidendom. De hele wereld zal profiteren van het licht dat hij zal komen brengen in naam van God onze Heer.' Nadat haar dagen vervuld waren, schonk zij inderdaad het leven aan een zoon, juist zoals de oude priester negen maanden tevoren had voorspeld.

Pastoor C. Müller

 

 

Allerzielen                                                                                                                            

November, kil en grijs, nodigt ons elk jaar weer uit tot eerbied en stil gebed. Met Allerzielen staan we stil bij onze dierbaren die ons ontvallen zijn; speciaal bij hen van wie we in het voorbije jaar afscheid moesten nemen. Ieder van ons draagt daarin zijn eigen verdriet. Allen voelen we het gemis van hen die we goed gekend hebben. Wij mensen nu hebben een lichaam, dat vergankelijk is, maar ook een ziel, die onsterfelijk is, die eeuwigheidswaarde heeft. Daarom bidden we als Kerk steeds voor hen die overleden zijn en die veelal tijdens hun leven hier ook voor ons hebben gebeden. Dat bidden helpt niet alleen hen, maar ook diegene die bidt. We ontvangen er kracht en troost door. Gebed verbindt over de grenzen van de dood.

God, onze Vader, aan mensen die angstig zijn voor de dag van morgen en bezorgd uitkijken naar de toekomst, verzekert Gij dat niemand buiten Uw aandacht valt. Doe ons groeien in vertrouwen. God, Gij die wilt dat niemand verloren gaat, doe onze gestorven dierbaren opstaan en leven in Uw onvergankelijk licht. Amen.

Pastoor C. Müller

“Maak dat ik zien kan”                                                                                 

Als Jezus weer uit Jericho weggaat (aldus het Evangelie van zondag 24 oktober), hoort Hij een blinde bedelaar luidkeels roepen: “Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!”

Velen snauwden hem toe te zwijgen. Bartimeus begon evenwel nog harder te roepen. Jezus roept daarop de blinde. De omstanders (die hem eerst zeiden te zwijgen) merken nu op: “Heb goede moed, sta op, Hij roept u”. Eenmaal bij Jezus, zegt hij: “Rabboeni, maak dat ik zien kan”. Jezus zegt daarop: “Ga, uw geloof heeft u genezen”. Bartimeus kon terstond zien en sloot zich bij Jezus aan.

Wat opvalt is dat in dit bijbelfragment het werkwoord “roepen” vaker voorkomt. Het verwijst zowel naar de fysieke afstand tussen Jezus en de blinde, alsook naar de ernst van zijn nood. Opmerkelijk is dat de menigte hem eerst afsnauwt - hij moet zwijgen. De blinde ziet evenwel verder, met de ogen van zijn geloof, en laat zich niet van de wijs brengen. Dat snauwen van de omstanders werkt zelfs averechts, Bartimeus begint nog harder te roepen. Jezus laat hem daarop bij Zich roepen. De omstanders helpen opeens de man, die ze eerst niet zagen zitten, Ja, heb goede moed! Eenmaal bij Jezus vindt er genezing plaats. Jezus verduidelijkt: “Uw geloof heeft u genezen”.

Het gebeuren mag ons aan het denken zeggen. Hoe kijken wij en wat zien we wél en niet, indachtig de menigte, indachtig de blinde? Zien met de ogen van het geloof betreft een “nieuwe” vorm van waarnemen. De blinde ”zag” meer dan de omstanders die konden zien, maar ziende toch “blind” waren. Onwillekeurig doet het je denken aan dat tafereel waar de ongelovige Thomas voor het eerst de verrezen Heer ontmoet. Toen zei Jezus tot hem: 'Omdat ge Mij gezien hebt gelooft ge? Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.' (Johannes 20,29).

                                                                                                                       Pastoor C. Müller

“Wie onder u groot wil worden moet dienaar van u zijn” (Mc. 10)  

In het Evangelie van zondag 17 oktober (29e zondag door het jaar) gaat het onder meer over dienen. De eerste en tweede lezing verwijzen ook naar dat dienen. In onze dagen werken velen in de zorg en in het onderwijs, bereid tot dienen. En dat is goed.

Jezus gaat evenwel veel verder: “Wie onder u groot wil worden moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn moet aller slaaf wezen, want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en om zijn leven te geven als losprijs voor velen.” Zijn dienen ging zover dat Hij als Zoon van God bereid was zijn leven te geven. Die bereidheid om te dienen zoals Christus Zelf betreft het keurmerk voor iedere ware Christen.

In de volledige gave van zichzelf wordt dat wat we doen geheel puur en waarachtig. Door zó te dienen gelijken we meer en meer op de Heer zelf. Daardoor brengen we God eer alsook aan de naaste, omdat ons handelen verstoken is van enig eigenbelang. Mensen als Moeder Teresa hebben laten zien wat ware liefde vermag. Door hun radicale inzet hebben zij de armen verheven. Een van hen zei vlak voor zijn sterven tegen haar: “Ik weet nu dat God bestaat, dankzij mensen zoals u”.  Ja, wees bereid tot dienen zoals Jezus zelf. Tot heil van anderen.

Pastoor C. Müller

De rijke jongeling                                                                                         

In het Evangelie van zondag 10 oktober (28e zondag door het jaar) wordt ons een parabel voorgehouden. Het gaat over een rijke jongeman die Jezus ontmoet. Deze vraagt Hem: “Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?” Jezus spreekt daarop over de 10 geboden. De jongeling merkt op dat hij ze onderhouden heeft van zijn jeugd af. Jezus kijkt hem vervolgens liefdevol aan en vervolgt: “ Eén ding ontbreekt U, ga verkopen wat je bezit en geef het aan de armen (daarmee zult ge een schat bezitten in de hemel) en kom dan terug om Mij te volgen.” De jongen gaat vervolgens ontdaan heen, omdat hij vele goederen bezat.

Boeiend is te zien hoe Jezus de jongeling niet zozeer wijst op een “moeten” (indachtig de vraag ”Wat moet ik doen …), maar wel op een laten. Ja, laat je rijkdom hier achter, want er is een andere (geestelijke) rijkdom. Velen associëren welzijn met “hebben” (onze materiële rijkdom). Maar gaat het feitelijk niet om ons “zijn”. Ja, wie ben jij? Ben je niet oneindig meer dan wat je meent te hebben?

Mensen zoeken geluk vaak in het hebben, in de controle, in het be-grijp-en, in de zelfredzaamheid. Terwijl juist het leven ons leert, dat we welbeschouwd heel veel niet in de hand hebben. Is het niet beter te vertrouwen op God, die met ieder van ons een plan heeft en te geloven in zijn liefde en Zijn plan met u? Dan zult u gaandeweg ontdekken dat ware rijkdom vooral te vinden is in het liefhebben van God en de naaste.

Jezus zei tot de jongeling: “Eén ding ontbreekt U, ga verkopen wat je bezit”. Die zin mag ons aan het denken zetten, juist omdat de man meende dat er niets ontbrak. Welnu, waarover hij niet beschikte, dat was zijn vrijheid om los te laten. Iets dergelijks zien we ook in onze dagen. Hoe veel mensen worden ook thans niet bepaald door wat ze bezitten? Velen zijn paradoxaal juist daardoor gebonden en onvrij, ofschoon velen menen dat rijkdom vrijheid schept. Jezus nu leert ons verder te kijken.

Pastoor C. Müller

Oktobermaand - Mariamaand                                                                     

In de katholieke kerk is de maand oktober gewijd aan de rozenkrans. De keuze voor deze maand hangt samen met de liturgische gedachtenis van Maria van de Rozenkrans op 7 oktober. Deze viering werd ingesteld door paus Pius V in 1571. Hij had de christelijke overwinning van de Slag bij Lepanto (7 oktober 1571) toegeschreven aan het bidden van de rozenkrans. Het rozenkransgebed werd gepropageerd door de orde der Dominicanen, waartoe Pius V zelf ook behoorde. Volgens een oude overlevering was de rozenkrans een geschenk van de Heilige Maagd Maria aan Sint Dominicus (1170-1221), stichter van de dominicanen. Maria zou de rozenkrans hebben gegeven als wapen in zijn strijd tegen de Albigenzen. Het gebruik om jaarlijks de hele maand oktober in het teken van de rozenkrans te stellen, dateert uit de 19e eeuw. Het was paus Leo XIII (1878-1903) die een intensere Maria-devotie in deze maand heeft bevorderd door zijn oproep om extra vaak de rozenkrans te bidden. Opmerkelijk is dat Leo XIII in totaal tien encyclieken over het rozenkransgebed schreef. Alle werden gepubliceerd in september, ter voorbereiding van de daaropvolgende rozenkransmaand. Alle pausen na hem hebben de gelovigen opgeroepen in oktober extra tijd aan de rozenkrans te besteden. Het bidden van een rozenkrans gaat gepaard met het gedenken van geloofsgeheimen. We kennen er twintig (4 x 5). Naast de zgn. 5 'blijde', kennen we ook de 5 'droevige' en de 5 'glorievolle' geheimen. In 2002 heeft paus Johannes Paulus II, bij het begin van het Jaar van de Rozenkrans, daar de 'vijf geheimen van het Licht' aan toegevoegd. De 20 geheimen vormen een samenvatting van het Evangelie. Door het bidden van de rozenkrans wordt men meer bewust van het leven, lijden, sterven en verrijzen van Jezus Christus
.
Pastoor C. Müller