Kracht wordt in zwakheid volkomen                                                

In de 2e lezing van de 14e zondag van het jaar (4 juli) spreekt de apostel Paulus in zijn brief Christenen van Korinte (12,7-10) over “een doorn in het vlees”. Tot 3 maal toe had hij de Heer aangeroepen om Hem er van te bevrijden. Maar God antwoordde hem: “Je hebt genoeg aan mijn genade. Kracht wordt juist in zwakheid volkomen.” Paulus meent dan ook: “Dus zal ik het liefst van alles roemen op mijn zwakheden. Dan zal de kracht van Christus in mij wonen. Daarom lijd ik om Christus’ wil gaarne zwakheid, smaad, nood, vervolging en benauwdheid. Want als ik zwak ben, dan ben ik sterk”.

Hoe anders denken de mensen van de wereld. Voor hen geldt: Wees sterk, kom voor jezelf op, laat anderen niet over je lopen, wees assertief.

Paulus leert ons dat het niet gaat om de mens en zijn natuurlijke krachten en vermogens, maar veeleer om de kwestie: Wat doen we met onze zwakheden, met onze fouten, met onze zonden, met onze verlegenheden? Moeten we ze maar wegdenken, dan wel negeren, of verdringen? Nee dus. Want juist dat doet de mens van zichzelf vervreemden. Nee, onze kwetsbaarheid betreft een schat, wiens waarde maar zichtbaar wordt als we haar toelaten en inbrengen in onze relatie met de Heer. Iets dergelijks geldt – denk ik – ook voor een huwelijk. Mensen zijn vaak op hun mooist als zij zich kwetsbaar durven te tonen, ook al lopen ze daardoor het risico dat anderen daar misschien misbruik van maken.

De apostel Paulus leert ons de eigen zwakheid aan te nemen. Ze vormen feitelijk de deur naar een diepere verstandhouding met Christus, die omwille van ons zwak is geworden en ze doorheen het kruis vruchtbaar heeft gemaakt door de volledige gave van Zichzelf. Op het kruis was Christus als de meest kwetsbare geheel overgegeven aan Zijn Vader. Het toont op een paradoxale wijze de grootte en diepte van Zijn liefde voor Zijn Vader als die voor ons.

     

    Pastoor C. Müller

 

 

Meisje, sta op                                                                                   

Het Evangelie van de 13e zondag door het jaar (27 juni) vertelt het verhaal van de opwekking van een meisje uit de dood -het dochtertje van Jaïrus, de overste van de synagoge. Jezus wordt door de vader geroepen, omdat het meisje ieder moment kan sterven. “Kom haar toch de handen opleggen, opdat ze mag genezen en leven!” Onderweg volgt een intermezzo. Gaandeweg geneest Jezus een vrouw die al jaren aan bloedvloeiing leed. Ze zei bij zichzelf: “Als ik slechts zijn kleren kan aanraken, zal ik genezen zijn”. Zo gebeurde het ook. Jezus merkte evenwel op dat er een kracht van Hem was uitgegaan, terwijl Hij omgeven was door velen. De vrouw trad naar voren en bekende Hem de hele waarheid. Jezus zei tot haar: “Dochter, uw geloof heeft u genezen. Ga in vrede en wees van uw kwaal verlost.”

Niet lang daarna blijkt het meisje overleden. Jezus hoorde het en zei tot de vader: “Wees niet bang, maar blijf geloven”. Eenmaal aangekomen, zag Jezus de mensen in rouw. Daarop zei Hij: “Waarom dit misbaar en geween? Het kind is niet gestorven maar slaapt.” De omstanders lachten Hem uit. Alleen met de ouders en enkele leerlingen, nam Jezus het kind bij de hand en zei tot haar “Talita koemi” (Meisje, sta op). Het meisje stond onmiddellijk op. 

In beide verhalen is het geloof relevant, dat van zowel de vader van het meisje als van de zieke vrouw. Tot de vrouw zegt Jezus: “Dochter, uw geloof heeft u genezen”, en tot de vader: “Wees niet bang, maar blijf geloven”. Uit de samenhang en de afloop mogen we opmaken dat de vader dat is blijven doen, ook nadat hij hoorde dat zijn dochter is overleden. Zowel de zieke vrouw als de vader tonen wat echt geloof vermag, ook al lijken de omstandigheden (bij de vrouw), noch de omgeving (bij het meisje) niet “mee te werken”. Hoe dan ook, Jezus wordt niet afgeleid, maar ziet het geloof van zowel de vrouw als de overste van de synagoge. En daar gaat het om, om ons geloof in Jezus en zijn vermogen te helen en op te wekken.

 

Pastoor C. Müller

 

 

Storm op het meer – vertrouw op de Heer                                      

Op zondag 20 juni 2021 (12e zondag door het jaar) horen we het verhaal over de storm op het meer. Jezus gaat met zijn leerlingen in een boot om over te steken. Onderweg worden ze overvallen door een hevige storm. De golven slaan over de boot, die daardoor vol loopt. Jezus lijkt het niet te deren. Hij slaapt. De leerlingen maken Hem wakker en merken op: Meester, raakt het U niet dat wij vergaan? Jezus richt Zich daarop met een dwingend woord tot de wind en het water. Het wordt volmaakt stil. Jezus maakt zijn leerlingen een verwijt: Waarom zijn jullie zo bang? Hoe is het mogelijk dat jullie nog geen geloof bezitten? De leerlingen zijn verbaasd: Wie is Hij toch dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen? Wat opvalt is dat de leerlingen hier enkel aan zichzelf denken; terwijl Jezus toch bij hen is. Ze praten ook enkel over henzelf: Raakt het U niet dat wij vergaan! Alsof Hij er geen deel van uitmaakt, alsof ook Hij niet met hen in de boot zit …

De leerlingen zijn bang; omdat Hij niet reageert zoals zij, maken ze Hem een verwijt (“Raakt het U niet …”). Ze zeggen het omdat ze door gevoelens van onmacht bepaald worden.

Ook in onze dagen menen mensen soms dat God slaapt. Terwijl Hij net als toen, er wel is. God nu, Hij slaapt niet. Jezus kon ‘slapen’ tijdens de storm omdat Hij Zich geborgen weet in de liefde van de Vader. Hij werd niet bepaald door het rumoer om hen heen, zoals de leerlingen. Het verhaal leert ons ook dan God te vertrouwen als het ‘stormt’ en Hij ons niet lijkt te horen. Weet dat God u altijd ziet en verwacht dat u Hem aanroept. Maar wachten we daar vaak niet veel te lang mee, omdat we menen eerst onszelf te moeten redden? Als het goed is hebben de leerlingen van die ervaring op het meer veel geleerd. Dat God met ons is, ook en vooral in de storm, wanneer ons geloof wordt beproefd. Derhalve wanhoop niet, maar vertrouw op God, onverlet de omstandigheden.

Pastoor C. Müller

Parabel van het mosterdzaadje                                                                   

In het Evangelie van zondag 13 juni (11e zondag door het jaar) vertelt Jezus zijn leerlingen de parabel van het mosterdzaadje, en wel om hen te verduidelijken dat het Rijk Gods in zich heel veel kiemkracht bezit. Zo is het mosterdzaadje -als het gezaaid wordt wel het allerkleinste zaadje op aarde- maar als het eenmaal wortel heeft geschoten, wordt het groter dan alle tuingewassen.

Natuurlijk, ook dit zaadje behoeft zon en water en voldoende voedingsstoffen. Het is als met een kind, het kan niet zonder de liefde van de ouders, en al het andere. De uitgroei van ieder individu hangt voorts af van vele andere factoren. Daarom ook dat er zoveel verschillen bestaan tussen mensen, zelfs al maken ze deel uit van één en hetzelfde gezin. Zinvol is het na te denken over de eigen wordingsgeschiedenis. De levens van de heiligen vormen in dit verband kleine parabels op zichzelf. Mooi is te zien hoe iemands kleinheid voor God nooit een obstakel vormt. Ja, in potentie bezitten we allen een enorme kiemkracht. Daarbij is het zaak mee te werken met Gods genade. Hij is immers diegene die mensen werkelijk ‘groot’ doet zijn / worden, niettegenstaande vele menselijke beperkingen. De heiligen lieten zich hierdoor echter niet ontmoedigen, maar leerden gaandeweg niet meer op zich zelf te bouwen, maar enkel op de Heer, die wil dat we woekeren met onze talenten, alsook onze kruisjes, mede tot opbouw van Rijk Gods.

Pastoor C. Müller

Hoogfeest van het H. Sacrament van het Lichaam en Bloed van Jezus Christus

Op zondag 6 juni vieren we wederom het Hoogfeest van het H. Sacrament. In Frankrijk heet dit feest simpelweg Fête Dieu. Het is het feest van God bij uitstek, waarbij we stilstaan bij de Zelfgave van Christus aan het kruis. In het Evangelie verwijst Jezus er naar, en wel tijdens  het laatste Avondmaal, waar Hij zegt: Neemt, dit is Mijn Lichaam. Alsook: Dit is Mijn Bloed van het Nieuwe Verbond.

In “Hij en Ik” zegt de Heer tegen Gabriëlle Bossis (+ 1950), een Franse mystica: “Zet je naast Mij, op de plaats van Johannes, op het ogenblik dat Ik de Eucharistie instel. Zie hoe gelukkig Ik ben. Het lijkt wel alsof Ik helemaal niet denk aan mijn verschrikkelijk lijden dat straks gaat beginnen. Ik ga geheel op in de liefde van de mensen, niet alleen van de elf, maar van alle mensen tot de laatsten van de laatste tijd. Je ziet dat Ik jullie allemaal in Mij opneem en jullie maak tot mijn ledematen. Deze drang naar eenheid heb Ik zozeer dat Ik door jullie gegeten wilde worden, om onze verstandelijke geest en ons werkzaam wezen innig met elkaar te verbinden. Je staat verbaasd over zoveel liefde. En toch beseffen jullie er maar een gering deel van. De vlam van een toorts geeft maar een zwak idee van een uitslaande brand”. (…)

“Ik zal jullie heel jullie leven begeleiden met het heilig Brood, en Ik zal jullie dood verzachten. En vanaf je plaats, die van Johannes, zie je hoe de apostelen reeds andere mensen zijn geworden, vroom en bewogen. Zij geloven. Zij bezitten Mij. Ik ben al werkzaam in hen zoals Ik werkzaam zou worden in jullie. Kan Ik aanwezig zijn zonder overvloedig goed te doen?” (Uit: Hij en Ik;  deel 1 -In het kerkelijk jaar en het geestelijk leven- Sint Petrus Canisiusstichting Tegelen 1992; p. 205).

Bovenstaande tekst mag ons aan het denken zetten. Ja, beseffen we nog wel de oneindige waarde van Jezus Kruisoffer en daarmee verbonden het grote mysterie van de H. Eucharistie?

                                      

Pastoor C. Müller

Hoogfeest van de H. Drie-Eenheid                                                              

Het feest van de Heilige Drie-Eenheid (zondag 30 mei) betreft het mysterie van de Éne God in Drie Personen: God de Vader, God de Zoon (Jezus Christus) en God de Heilige Geest. Telkens als we een kruisteken maken, verwijzen we er naar. Nadat we met Pasen de Verrijzenis van Christus hebben gevierd en met Pinksteren het neerdalen van de Heilige Geest, is dit feest het hoogtepunt waarin alle Drie in de Éne God gevierd wordt.   

 

Vóór het Jubeljaar 2000 werd tijdens de drie jaren voorafgaand aan dit speciale jaar ieder jaar aandacht besteed aan één van de goddelijke personen. Het Jubeljaar 2000 stond in het teken van de H. Drie-eenheid. Paus Johannes Paulus II sprak in het Jubeljaar 2000 tijdens zijn algemene audiënties over de Heilige Drie-eenheid. Zo sprak hij over de glorie van de Heilige Drie-eenheid in de schepping, in de geschiedenis, in het mysterie van Christus en in de mens zelf: "De Goddelijke Drie-eenheid staat aan het begin van het bestaan en is aanwezig in hun uiteindelijke doel, het thuisland waar wij allen naar uitzien. Het vormt het begin en het einde van de heilsgeschiedenis" (Audiëntie 19 januari 2000).

 

In de Bijbel vindt men vele verwijzingen naar dit grote geheim. Onder meer in de volgende passage uit het boek Genesis: “Eens verscheen Jahwe aan Abraham bij de eik van Mamre, toen Abraham op het heetst van de dag bij de ingang van de tent zat. Hij sloeg zijn ogen op en zag plotseling drie mannen voor zich staan. Meteen liep hij van de ingang van zijn tent naar hen toe; hij boog diep en zei: ‘Wees zo welwillend Heer, uw dienaar niet voorbij te gaan”. (Gen. 18, 1-3). Abraham zag er drie, maar hij begroette er één.

 

Jezus nu heeft het vaak over Zijn Vader, alsook over de H. Geest. Onder meer in de volgende passages:

‘Ik zeg u: de Zoon kan niets uit zichzelf, maar alleen datgene wat Hij de Vader ziet doen. En alles wat Deze doet, doet de Zoon insgelijks’ (Joh 5,19).

“Ik en de Vader zijn Één” (Joh.10:30)

“Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen.“ (Joh. 14:23)

 

Het is aan ons om God in Zijn H. Drievuldigheid steeds te eren, omdat “Zij” ons niet enkel hebben geschapen (Vader) en verlost (Zoon), maar ook leiden (H. Geest).

Pastoor C. Müller

Pinksteren                                                                                   

Vijftig dagen na Pasen viert de kerk het Hoogfeest van Pinksteren; dit jaar op zondag 23 mei. We gedenken dan hoe de H. Geest werd uitgestort over de leerlingen. Om die H. Geest dienen we steeds te bidden. Zo baden in het jaar 1967 docenten en studenten aan de Duquenne universiteit van Pittsburg een jaar lang om de Heilige Geest. Het gevolg was dat vele mensen een intense relatie met Christus vonden. Er ontstond een levende gemeenschap onder elkaar, met een grote uitstraling naar buiten. Ook vonden er genezingen plaats. Dit was het begin van de katholieke charismatische beweging die sindsdien de Wereldkerk van binnenuit heeft vernieuwd en nieuw leven heeft gegeven. Als Hij komt, gebeurt er werkelijk iets; bezieling, oprechte liefde, weldadige spontaniteit, levenslust, troost, hulp en bijstand.

De heilige Geest geeft kracht om grenzen te overschrijden, verlammende angst te overwinnen. Hij is de Helper en trooster in onze kleinheid en onmacht, in onze tekortkomingen en teleurstellingen. Hij vervult ons met vertrouwen en licht; geeft scheppende kracht die echt levend maakt!

 

Gebed: Adem in mij, Heilige Geest

Adem in mij, Heilige Geest,
opdat ik denk wat heilig is.

Stuw mij, Heilige Geest,
opdat ik doe wat heilig is.

Verlok mij, Heilige Geest,
opdat ik bemin wat heilig is.

Sterk mij, Heilige Geest,
opdat ik bescherm wat heilig is.

Bescherm mij, Heilige Geest,
opdat ik het heilige nooit verlies.

Amen.                                                                                                 


Pastoor C. Müller