Door het oog van de naald

In het Evangelie van zondag 14 oktober (28e zondag door het jaar) gaat het onder meer over de last van de rijkdom. “Jezus keek de kring rond en zei tegen zijn leerlingen: “Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan.” De leerlingen schrokken van zijn woorden. Maar Jezus zei nog eens uitdrukkelijk: “Kinderen, wat is het moeilijk om het koninkrijk van God binnen te gaan: het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.” Ook in onze dagen streven velen rijkdom na. Men associeert rijkdom met vrijheid en zorgeloosheid. Maar werkt dat ook zo? Hoeveel rijken zijn nu eigenlijk echt ‘vrij’, d.w.z. in staat om er afstand van te doen?
En … hoe staat het met onszelf? Vraag je eens af hoe belangrijk jouw bezit voor jou is. Kun jij er afstand van doen? Menigeen zegt van wel, maar laat het toch achterwege. Blijkens diverse commentaren verwijst de term ‘oog van de naald’ niet naar een kleine ingang nabij een grote stadspoort in een stadsmuur, maar enkel naar de onmogelijkheid voor een lastdier zich zó klein te maken dat het door het oog van een naald kan gaan (waarop we gelijken, als we vastzitten aan ons bezit).
Daarom, geef het aan God over (zoals de leerlingen). Dan zal het loslaten uiteindelijk ons minder zwaar vallen, juist omdat voor die ‘last’ van de rijkdom veelal iets anders in de plaats komt, te weten die vrede, welke samenhangt met onze herwonnen vrijheid, die men verkrijgt door dat af te geven wat mensen veelal bindt.

Pastoor Müller

Over het huwelijk

Zowel de eerste lezing alsook het Evangelie van zondag 7 oktober (27e zondag door het jaar) gaan over het huwelijk. In de eerste lezing uit het boek Genesis lezen we hoe God uit de rib van Adam een vrouw schiep en haar bij hem bracht.
In het Evangelie, waarin het onder meer gaat over Mozes die in bepaalde gevallen toestond een scheidingsbrief op te stellen, verwijst Jezus naar het begin, hoe God bij de schepping de mens als man en vrouw gemaakt heeft, om zich te binden: deze twee zullen één vlees worden. Wat God derhalve heeft verbonden mag een mens niet scheiden.
Welbeschouwd is het huwelijk een goddelijke instelling. Verliest men dit uit het oog, dan betreft het huwelijk enkel een aangelegenheid van 2 mensen, terwijl God der Dritte im Bunde wil zijn. Wanneer man en vrouw God betrekken in hun huwelijk, dan betekent dit heel veel. God bijvoorbeeld vult onze liefde aan, en helpt ons om te vergeven. Bovenal leert Hij ons wat liefde is. God Zelf is liefde. Zo vindt men in de Bijbel heel mooie passages over de liefde. Een huwelijk zonder God kent de Bijbel niet. God is wezenlijk voor het welslagen van een huwelijk, juist in onze tijd, waarin zo vele huwelijken stranden. Dat is niet omdat men dit zou willen, maar omdat men niet verstaat dat een huwelijk niet kan bestaan buiten God om, die het bedacht heeft. Hij is het die mensen voor elkaar bestemd heeft. Hij heeft ieder van ons geschapen en weet welke ander (eveneens door Hem geschapen) het beste bij ons past. Maar God wil niet enkel aan de wieg staan van een huwelijk (bij de huwelijkssluiting), Hij wil ook blijvend deel uitmaken van het huwelijk. Hij wil er de spil van zijn, zodat het niet enkel draait om jou en hem (of haar), maar om het grotere geheel, waarvan kinderen eveneens deel uit maken. Een gelukkig (Godvruchtig) huwelijk betreft een zegen, niet enkel voor het echtpaar zelf en hun kinderen, maar ook voor de omgeving, met name de betrokken families en vrienden.

Pastoor C. Müller

Over de zonde

In het Evangelie van zondag 30 september (26e zondag door het jaar) spreekt Jezus onder meer over de ernst van de zonde. Zo zegt de Heer: “Dreigt uw hand u aanleiding tot zonde te geven, hak ze af.” Het is krasse taal. Blijkbaar is zonde een zeer ernstige zaak, een zaak van leven en dood. Jezus weet als geen ander wat de zonde aanricht, wat de gevolgen van zonden zijn. Hij heeft er de ultieme prijs voor betaald.
Hij kent onze binnenkant en weet hoe bijv. een leugen een oude vriendschap kan verpesten. Hoe bijv. drankzucht een dodelijk ongeluk tot gevolg kan hebben, waarbij anderen het leven laten. De zonde betreft een handeling, die haaks staat op Gods bedoelingen. Zo heeft God ons geschapen om lief te hebben, en wel naar Gods beeld en gelijkenis, dus met een zuiver hart. In onze tijd is dat besef, dat geloof bij velen helaas verloren gegaan, waardoor veel wat intrinsiek verkeerd is, louter als “des mensens” wordt beschouwd. Godsdienstsociologen spreken in dit verband reeds geruime tijd over een tanend zondebesef. Daardoor vervlakt de mens die geroepen is om boven zichzelf uit te stijgen, zich onvoorwaardelijk te geven. Door zonden te begaan verliezen we God uit het oog. Door zonden verkilt een samenleving; raken mensen niet alleen van elkaar vervreemd, maar vooral van God, waardoor men steeds minder oog heeft voor de geestelijke realiteit van de zonde.
Zonde, je kunt het vergelijken met een ziekte, die niet enkel geestelijk doodt. Mensen die God gevonden hebben, na een leven zonder grenzen, beamen dit vaker. Dat ze aanvankelijk meenden geluk te vinden door enkel aan hun eigen vrijheid te denken. Gaandeweg merkten ze echter dat die zgn. ultieme vrijheid vaak helemaal niet vrij maakt, maar juist het tegenovergestelde bewerkt. Het is mede door Gods genade dat ze ontdekten hoe in veel gevallen dikwijls bepaalde verwondingen hun latere (‘vrije’) leven hebben gekleurd. Iemand schreef hierover eens: “Onze hang naar vrijheid houdt dikwijls verband met situaties waarin we ons gebonden en hulpeloos wisten (mede door anderen).” Daarom is het goed je de vraag te stellen: Wat streef ik na, welke vrijheid zoek ik eigenlijk? Wil ik ergens vrij van worden (‘negatieve’ vrijheid), of zoek ik een vrijheid die me laat zien welke verantwoordelijkheden bij mij horen? God heeft ons vrij geschapen en later vrijgemaakt (doorheen zijn Levensoffer) om het goede te kiezen en te doen. We zijn vrijgemaakt tot … Dat is welbeschouwd een positieve vrijheid, in tegenstelling tot die ‘negatieve’ vrijheid, die mede door eigen zonden en die van anderen is getekend.

Pastoor C. Müller

Wie is de grootste?

In het Evangelie van zondag 23 september (25e zondag door het jaar) twisten de leerlingen onderling over de vraag wie de grootste is. Uit de vraag van Jezus - Waarover hebben jullie onderweg getwist? - mogen we afleiden dat Jezus er niet bij was. Het lijkt een detail, maar dat is het niet. In zijn bijzijn zou zo’n gesprek ongetwijfeld anders zijn verlopen.
Dat blijkt uit het vervolg, waar Jezus hen voorhoudt: “Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten wezen.”
Hoe anders denkt de moderne mens, die steeds weer horen moet, dat je vooral aan jezelf moet denken. De vele selfies lijken dit te illustreren.
Goed is het juist daarom dit woord van de Heer te overwegen, omdat je happy voelen niet zozeer te maken heeft met het zoeken van jezelf, maar vooral met onze bereidheid tot dienen van de medemens. Het is door te dienen, dat we leren van waarde te zijn voor anderen. Het is door er te zijn voor anderen dat we zelf leren wat liefde is. Ja, hoeveel hebben we niet te danken aan onze ouders, die zich voor ons hebben weggecijferd? Het is door hun voorbeeld, dat wij mede onszelf hebben leren kennen. Jezus zelf is hierbij voor ons allen het ijkpunt bij uitstek. Hij, de grootste in de liefde, was bereid de laatste plaats in te nemen. Hij nam het kruis op zich en de smaad die erbij hoorde, om ons te redden. Wij kunnen onszelf niet redden, maar dienen mee te werken aan onze redding door onszelf los te laten en ons te geven, in geloof en vertrouwen.

Pastoor C. Müller

Rozenkrans

In mijn vakantie heb ik onder meer een 4-daags seminar bijgewoond o.l.v. Mijo Barada uit Kroatië, een zeer bevlogen man (landbouwingenieur, getrouwd en vader van 4 kinderen), die reeds vele jaren de wereld overgaat om seminars te houden, welke in het teken staan van de dienst der bevrijding door onze kerk. Mijo bezit vele gaven, onder meer de gave der profetie. Zijn eigen leven betreft een aaneenschakeling van bijzondere gebeurtenissen.
Mede naar aanleiding van zijn inleidingen en het daarop volgende bezoek aan Medjugorje (een mariaal bedevaartsoord, niet ver van Mostar), wil ik van harte het bidden van de rozenkrans ook in onze parochie promoten, alsook een vaste plek geven. Daarom zal in de kerk van Velden voortaan na iedere H. Mis op donderdag- en vrijdagochtend de rozenkrans worden gebeden (tenzij er op die dagen ’s ochtends in ons cluster een uitvaart plaatsvindt, dan wel de maandelijkse ziekencommunie wordt rondgebracht).
De Kerk kent al eeuwenlang een groot belang toe aan de rozenkrans. Het gebed is historisch gezien vooral bevorderd door Dominicanen en Kruisheren en door de jaren heen door vele pausen aangemoedigd. Het werd rijkelijk met aflaten beladen, vooral sinds paus Pius V (1566-1572) een beslissende militaire overwinning van christenen op de Turkse vloot (7 oktober 1571) toeschreef aan de kracht van het rozenkransgebed.
In Nederland en andere landen is de rozenkrans na het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) helaas binnen de Kerk langzaam in onbruik geraakt. Veel jongeren in de Kerk hebben het gebed daarom nog nooit gebeden, terwijl het een zeer krachtig gebed is dat door vele heiligen ten zeerste wordt aanbevolen. Lezenswaard is in dit verband het boek van Donald Calloway MIC, priester en Marialoog over ‘The champions of the Rosary’. Daarin schrijft hij onder meer: “De rozenkrans bewerkt een ommekeer in de harten der mensen, trekt de zielen naar de sacramenten toe en stopt het kwaad. De rozenkrans is een hemels medicijn” (p. 332 en 333). De beroemde heilige Grignon de Montfort heeft ooit gezegd dat de duivels een grote angst hebben voor de rozenkrans. Niet zonder reden spreekt men over de rozenkrans als een zeer geducht geestelijk wapen.

Pastoor C. Müller

Effeta: Ga open

In de vier Evangelies worden vele wonderen vermeld. Ze vormen tekenen, die de woorden van de Heer bekrachtigen. Ze laten tevens zien dat daarbij ons geloof wezenlijk is. Ja, de Heer vraagt van ons geloof, waardoor Hij kan bewerken dat wat Hij wil bewerken. Daarom ook zegt Jezus vaker tot hen die Hij heeft genezen: “Uw geloof heeft u genezen.”
In het Evangelie van zondag 9 sept. (23e zondag door het jaar) geneest Jezus een doofstomme. Het geschiedt door een handeling, alsmede een zucht en door het uitspreken van het woord: ‘Effeta’, dat ‘Ga open’ betekent. Door de man te genezen, die Hem smeekte dat Hij zijn hand zou opleggen, kan deze weer horen, alsook spreken. Jezus heeft hem feitelijk ‘geopend’, zodat de man weer kan horen, wat anderen hem zeggen, en daarop kan reageren door zijn mond te openen (d.w.z. te spreken). Het wonder mag ons aan het denken zetten. Ja, in hoeverre zijn wij (geestelijk gesproken) niet ‘doof’ en ‘stom’ - waardoor ons veel ontgaat? Maar ook: hebben wij niet verleerd om met God te spreken?
Voor God evenwel is niets onmogelijk. Velen hebben de Heer gevonden, door zich innerlijk open te stellen en hun bereidheid zich te laten ‘openen’, zoals de doofstomme uit het Evangelie.

Pastoor C. Müller

Uit het hart …
Het woord “evangelie” komt van het Griekse woord euangelion (εὐαγγέλιον), dat 'goede (of blijde) boodschap' betekent. De boodschap heeft in dit verband allereerst betrekking op het Levensoffer van onze lieve Heer, waardoor wij gered zijn.
Bezien we het Evangelie nader, dan staan er ook dingen in die wij mensen niet direct associëren met “blij”. Het Evangelie bevat als zodanig ook passages, die verwijzen naar minder fraaie kanten van de mens. Iets dergelijks vinden we in het Evangelie van de 22e zondag door het jaar (2 sept.), waar geschreven staat: “Uit het hart van de mensen komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, afgunst …” “Al die slechte dingen komen uit het binnenste en bezoedelen de mens”.
Het staat in schril contrast met onze tijdgeest met haar slogan: “Volg maar je hart”. Daarmee wordt het gevoel tot maatstaf gemaakt, waarbij meer dan eens een gezonde zelfreflectie ontbreekt. Immers, in het hart van de mens vindt men niet enkel liefde (dikwijls vermengd met eigenliefde), maar ook onzuiverheden, die samenhangen met onze ik-zucht en opgelopen kwetsuren. Daarnaast bestaat er zoiets als de erfzonde. We willen weliswaar het goede, maar ons handelen is daarmee niet altijd in overeenstemming. Naast ons hart is ook ons geweten van belang (en daaraan gekoppeld een goede gewetensvorming) waardoor we leren te onderscheiden wat God van ons vraagt en wat bij ons als persoon past, dit alles te midden van het rumoer om ons heen.
Juist als het gaat om de liefde dienen we zowel met ons hart als met onze geest (incl. ons geweten) te komen tot een weloverwogen besluit. Daarbij wil het Evangelie ons tot steun zijn, alsook het gebed, indachtig het volgende citaat van Mahatma Gandhi: “De geest wordt onzuiver als het hart niet gewassen wordt door gebed.”

Pastoor C. Müller