Over de zonde

In het Evangelie van zondag 30 september (26e zondag door het jaar) spreekt Jezus onder meer over de ernst van de zonde. Zo zegt de Heer: “Dreigt uw hand u aanleiding tot zonde te geven, hak ze af.” Het is krasse taal. Blijkbaar is zonde een zeer ernstige zaak, een zaak van leven en dood. Jezus weet als geen ander wat de zonde aanricht, wat de gevolgen van zonden zijn. Hij heeft er de ultieme prijs voor betaald.
Hij kent onze binnenkant en weet hoe bijv. een leugen een oude vriendschap kan verpesten. Hoe bijv. drankzucht een dodelijk ongeluk tot gevolg kan hebben, waarbij anderen het leven laten. De zonde betreft een handeling, die haaks staat op Gods bedoelingen. Zo heeft God ons geschapen om lief te hebben, en wel naar Gods beeld en gelijkenis, dus met een zuiver hart. In onze tijd is dat besef, dat geloof bij velen helaas verloren gegaan, waardoor veel wat intrinsiek verkeerd is, louter als “des mensens” wordt beschouwd. Godsdienstsociologen spreken in dit verband reeds geruime tijd over een tanend zondebesef. Daardoor vervlakt de mens die geroepen is om boven zichzelf uit te stijgen, zich onvoorwaardelijk te geven. Door zonden te begaan verliezen we God uit het oog. Door zonden verkilt een samenleving; raken mensen niet alleen van elkaar vervreemd, maar vooral van God, waardoor men steeds minder oog heeft voor de geestelijke realiteit van de zonde.
Zonde, je kunt het vergelijken met een ziekte, die niet enkel geestelijk doodt. Mensen die God gevonden hebben, na een leven zonder grenzen, beamen dit vaker. Dat ze aanvankelijk meenden geluk te vinden door enkel aan hun eigen vrijheid te denken. Gaandeweg merkten ze echter dat die zgn. ultieme vrijheid vaak helemaal niet vrij maakt, maar juist het tegenovergestelde bewerkt. Het is mede door Gods genade dat ze ontdekten hoe in veel gevallen dikwijls bepaalde verwondingen hun latere (‘vrije’) leven hebben gekleurd. Iemand schreef hierover eens: “Onze hang naar vrijheid houdt dikwijls verband met situaties waarin we ons gebonden en hulpeloos wisten (mede door anderen).” Daarom is het goed je de vraag te stellen: Wat streef ik na, welke vrijheid zoek ik eigenlijk? Wil ik ergens vrij van worden (‘negatieve’ vrijheid), of zoek ik een vrijheid die me laat zien welke verantwoordelijkheden bij mij horen? God heeft ons vrij geschapen en later vrijgemaakt (doorheen zijn Levensoffer) om het goede te kiezen en te doen. We zijn vrijgemaakt tot … Dat is welbeschouwd een positieve vrijheid, in tegenstelling tot die ‘negatieve’ vrijheid, die mede door eigen zonden en die van anderen is getekend.

Pastoor C. Müller

Wie is de grootste?

In het Evangelie van zondag 23 september (25e zondag door het jaar) twisten de leerlingen onderling over de vraag wie de grootste is. Uit de vraag van Jezus - Waarover hebben jullie onderweg getwist? - mogen we afleiden dat Jezus er niet bij was. Het lijkt een detail, maar dat is het niet. In zijn bijzijn zou zo’n gesprek ongetwijfeld anders zijn verlopen.
Dat blijkt uit het vervolg, waar Jezus hen voorhoudt: “Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten wezen.”
Hoe anders denkt de moderne mens, die steeds weer horen moet, dat je vooral aan jezelf moet denken. De vele selfies lijken dit te illustreren.
Goed is het juist daarom dit woord van de Heer te overwegen, omdat je happy voelen niet zozeer te maken heeft met het zoeken van jezelf, maar vooral met onze bereidheid tot dienen van de medemens. Het is door te dienen, dat we leren van waarde te zijn voor anderen. Het is door er te zijn voor anderen dat we zelf leren wat liefde is. Ja, hoeveel hebben we niet te danken aan onze ouders, die zich voor ons hebben weggecijferd? Het is door hun voorbeeld, dat wij mede onszelf hebben leren kennen. Jezus zelf is hierbij voor ons allen het ijkpunt bij uitstek. Hij, de grootste in de liefde, was bereid de laatste plaats in te nemen. Hij nam het kruis op zich en de smaad die erbij hoorde, om ons te redden. Wij kunnen onszelf niet redden, maar dienen mee te werken aan onze redding door onszelf los te laten en ons te geven, in geloof en vertrouwen.

Pastoor C. Müller

Rozenkrans

In mijn vakantie heb ik onder meer een 4-daags seminar bijgewoond o.l.v. Mijo Barada uit Kroatië, een zeer bevlogen man (landbouwingenieur, getrouwd en vader van 4 kinderen), die reeds vele jaren de wereld overgaat om seminars te houden, welke in het teken staan van de dienst der bevrijding door onze kerk. Mijo bezit vele gaven, onder meer de gave der profetie. Zijn eigen leven betreft een aaneenschakeling van bijzondere gebeurtenissen.
Mede naar aanleiding van zijn inleidingen en het daarop volgende bezoek aan Medjugorje (een mariaal bedevaartsoord, niet ver van Mostar), wil ik van harte het bidden van de rozenkrans ook in onze parochie promoten, alsook een vaste plek geven. Daarom zal in de kerk van Velden voortaan na iedere H. Mis op donderdag- en vrijdagochtend de rozenkrans worden gebeden (tenzij er op die dagen ’s ochtends in ons cluster een uitvaart plaatsvindt, dan wel de maandelijkse ziekencommunie wordt rondgebracht).
De Kerk kent al eeuwenlang een groot belang toe aan de rozenkrans. Het gebed is historisch gezien vooral bevorderd door Dominicanen en Kruisheren en door de jaren heen door vele pausen aangemoedigd. Het werd rijkelijk met aflaten beladen, vooral sinds paus Pius V (1566-1572) een beslissende militaire overwinning van christenen op de Turkse vloot (7 oktober 1571) toeschreef aan de kracht van het rozenkransgebed.
In Nederland en andere landen is de rozenkrans na het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) helaas binnen de Kerk langzaam in onbruik geraakt. Veel jongeren in de Kerk hebben het gebed daarom nog nooit gebeden, terwijl het een zeer krachtig gebed is dat door vele heiligen ten zeerste wordt aanbevolen. Lezenswaard is in dit verband het boek van Donald Calloway MIC, priester en Marialoog over ‘The champions of the Rosary’. Daarin schrijft hij onder meer: “De rozenkrans bewerkt een ommekeer in de harten der mensen, trekt de zielen naar de sacramenten toe en stopt het kwaad. De rozenkrans is een hemels medicijn” (p. 332 en 333). De beroemde heilige Grignon de Montfort heeft ooit gezegd dat de duivels een grote angst hebben voor de rozenkrans. Niet zonder reden spreekt men over de rozenkrans als een zeer geducht geestelijk wapen.

Pastoor C. Müller

Effeta: Ga open

In de vier Evangelies worden vele wonderen vermeld. Ze vormen tekenen, die de woorden van de Heer bekrachtigen. Ze laten tevens zien dat daarbij ons geloof wezenlijk is. Ja, de Heer vraagt van ons geloof, waardoor Hij kan bewerken dat wat Hij wil bewerken. Daarom ook zegt Jezus vaker tot hen die Hij heeft genezen: “Uw geloof heeft u genezen.”
In het Evangelie van zondag 9 sept. (23e zondag door het jaar) geneest Jezus een doofstomme. Het geschiedt door een handeling, alsmede een zucht en door het uitspreken van het woord: ‘Effeta’, dat ‘Ga open’ betekent. Door de man te genezen, die Hem smeekte dat Hij zijn hand zou opleggen, kan deze weer horen, alsook spreken. Jezus heeft hem feitelijk ‘geopend’, zodat de man weer kan horen, wat anderen hem zeggen, en daarop kan reageren door zijn mond te openen (d.w.z. te spreken). Het wonder mag ons aan het denken zetten. Ja, in hoeverre zijn wij (geestelijk gesproken) niet ‘doof’ en ‘stom’ - waardoor ons veel ontgaat? Maar ook: hebben wij niet verleerd om met God te spreken?
Voor God evenwel is niets onmogelijk. Velen hebben de Heer gevonden, door zich innerlijk open te stellen en hun bereidheid zich te laten ‘openen’, zoals de doofstomme uit het Evangelie.

Pastoor C. Müller

Uit het hart …
Het woord “evangelie” komt van het Griekse woord euangelion (εὐαγγέλιον), dat 'goede (of blijde) boodschap' betekent. De boodschap heeft in dit verband allereerst betrekking op het Levensoffer van onze lieve Heer, waardoor wij gered zijn.
Bezien we het Evangelie nader, dan staan er ook dingen in die wij mensen niet direct associëren met “blij”. Het Evangelie bevat als zodanig ook passages, die verwijzen naar minder fraaie kanten van de mens. Iets dergelijks vinden we in het Evangelie van de 22e zondag door het jaar (2 sept.), waar geschreven staat: “Uit het hart van de mensen komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, afgunst …” “Al die slechte dingen komen uit het binnenste en bezoedelen de mens”.
Het staat in schril contrast met onze tijdgeest met haar slogan: “Volg maar je hart”. Daarmee wordt het gevoel tot maatstaf gemaakt, waarbij meer dan eens een gezonde zelfreflectie ontbreekt. Immers, in het hart van de mens vindt men niet enkel liefde (dikwijls vermengd met eigenliefde), maar ook onzuiverheden, die samenhangen met onze ik-zucht en opgelopen kwetsuren. Daarnaast bestaat er zoiets als de erfzonde. We willen weliswaar het goede, maar ons handelen is daarmee niet altijd in overeenstemming. Naast ons hart is ook ons geweten van belang (en daaraan gekoppeld een goede gewetensvorming) waardoor we leren te onderscheiden wat God van ons vraagt en wat bij ons als persoon past, dit alles te midden van het rumoer om ons heen.
Juist als het gaat om de liefde dienen we zowel met ons hart als met onze geest (incl. ons geweten) te komen tot een weloverwogen besluit. Daarbij wil het Evangelie ons tot steun zijn, alsook het gebed, indachtig het volgende citaat van Mahatma Gandhi: “De geest wordt onzuiver als het hart niet gewassen wordt door gebed.”

Pastoor C. Müller

Mannen, hebt uw vrouw lief zoals Christus de kerk heeft liefgehad.
Wat een prachtige zin! Ze is ontleend aan de 2e lezing van zondag 26 augustus (21e zondag door het jaar). Daarin spreekt de apostel Paulus over het huwelijk naar Gods heilsplan. In onze dagen kan men gerust spreken van een crisis m.b.t. het instituut huwelijk. Vele stellen opteren thans voor een andere vorm van samenleven. Daarnaast menen sommigen dat we als samenleving - door het instituut huwelijk ‘op te rekken’ en het ook van toepassing te verklaren voor paren van hetzelfde geslacht - het huwelijk als instituut ondergraven (zoals door God bedoeld). Daarbij kan men zich de vraag stellen in hoeverre het zuiver is om in het kader van een emancipatoir streven zich te bedienen van een goddelijk instituut, met als enig doel de verheffing van de eigen (homo)relatie. Hierbij is het goed te wijzen op twee relevante maatschappelijke ontwikkelingen, die in schril contrast staan; enerzijds een toename van allerlei verschillende samenlevingsvormen (waardoor er minder huwelijken in traditionele zin worden gesloten en … deze onbewust ondermijnen); anderzijds een toename van paren van hetzelfde geslacht die juist willen trouwen, terwijl voor hetero’s het huwelijk (incl. trouwen) allang niet meer vanzelfsprekend is. Sociologen wijzen in dit verband wel op een vergaande devaluering van het huwelijk, terwijl het naar mijn mening hier niet gaat om het huwelijk an sich, maar eerder betrekking heeft op de wijze waarop mensen er mee omgaan en het daarmee overeenkomstig leren te ‘verstaan’.
In samenhang hiermee kan voorts gewezen worden op de voortgaande ‘privatisering van het huwelijk’. Het wordt veelal nog enkel beschouwd als een privézaak van louter 2 individuen, terwijl ieder huwelijk veel meer omvat dan enkel dit stel. Zo is de samenleving als geheel (in het bijzonder de kinderen) gebaat bij stabiele huwelijken en gezinnen, alsook bij een gezonde kijk op het instituut huwelijk. Welnu, in de Bijbel en de Catechismus vindt men vele handvatten om te komen tot een beter verstaan van wat het huwelijk is en in de praktijk hoort te zijn. Zo begint de Bijbel met de schepping van man en vrouw naar Gods beeld en gelijkenis. God zelf is de stichter van het huwelijk. Zo heeft Hij de roeping tot het huwelijk gegrift in de natuur zelf van man en vrouw, zoals zij voortgekomen zijn uit de hand van de Schepper. Het huwelijk is dan ook geen louter menselijke instelling, ondanks de veelvuldige variaties die het in de loop der eeuwen gekend heeft. Omdat God de mens als man en vrouw geschapen heeft (voor elkaar en naar elkaar toe), dient hun wederzijdse liefde een afbeelding te zijn van de absolute en onvergankelijke liefde van God voor ieder mens. Deze liefde tussen man en vrouw waar Gods zegen op rust, is bestemd om vruchtbaar te zijn en zich te verwezenlijken in de gemeenschappelijke opdracht om de schepping in stand te houden. Een huwelijk nu naar Gods plan vergt derhalve een grote verantwoordelijkheid, een levenslange inzet en toewijding, maar bovenal toch het geloof dat God met jou en je vrouw een plan heeft. Ook hierom kan men nimmer zeggen: het is ‘mijn’ (‘ons’) huwelijk, omdat God welbeschouwd altijd ‘Dritte im Bunde’ is, ook al laat men Hem er vaak buiten.

Pastoor C. Müller

Heer, naar wie zouden wij gaan? Gij zijt het Brood des levens.

In aansluiting op het evangelie van de broodvermenigvuldiging, dat wij 2 weken geleden gehoord hebben, vernemen wij nu meerdere zondagen gedeelten uit de zogenaamde Broodrede van Jezus. Uitgaande van het gewone brood dat het lichaam voedt, spreekt Jezus a.s. zondag (19 aug.) onder meer over het Brood des Levens dat Hijzelf is en dat Hij ons op wonderlijke wijze in elke H. Communie geeft als voedsel voor onze ziel. Voordat Jezus probeert de mensen van dit zo belangrijke mysterie te overtuigen stelt Hij een voorwaarde (zie het evangelie van zondag 5 aug.), waar Hij zegt: “Dit is het werk dat God u vraagt: te geloven in Degene die Hij gezonden heeft” (Joh.6, 29). Inderdaad, het mysterie van de Eucharistie is uiteindelijk niet beredeneerbaar, het is alleen in geloof te aanvaarden. De Eucharistie nu betreft een zeer groot geheim; dat God Zich zo klein maakt om ons nabij te zijn, ofschoon er altijd mensen zullen zijn die hierin niet willen geloven. Het weerhoudt God echter niet om Zichzelf te blijven geven aan ons. Overigens laat ook het Evangelie doorschemeren dat ook in Zijn tijd er moeilijkheden bestonden. Zo kunnen we lezen dat velen van Christus’ leerlingen, na zijn toespraak over het eten van zijn vlees en het drinken van zijn bloed, Hem verlieten. Zij zeiden: “Deze taal stuit ons tegen de borst, en wie is nog in staat, naar Hem te luisteren?” We horen dit in het Evangelie dat op zondag 26 aug. gelezen zal worden. Evenwel, op de vraag van Jezus, of ook de Twaalf wilden heengaan, betuigt Petrus spontaan en vastbesloten zijn eigen geloof en dat van de overige apostelen met het wonderbare antwoord: “Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.” (Joh. 6, 60-68). Mogen dan ook wij die woorden van Petrus ter harte nemen.

Pastoor C. Müller