“Weest ook gij bereid …”

In het Nieuwe Testament wordt vaker over waakzaamheid gesproken. Zo kennen velen de zinssnede: “Weest waakzaam, want Gij kent dag noch uur”. (Mt. 25,13)
Iets soortgelijks weerklinkt ook in het Evangelie van de 19e zondag, dat gelezen wordt in het weekend 10-11 augustus. Daarin staat onder meer: “Gelukkig de dienaars die de Heer bij zijn komst wakende zal vinden” (Luc. 12,37). Iets verderop staat: “Weest ook gij bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht”.
Waken betekent dat iemand op de post blijft wanneer anderen slapen, met name in geestelijke zin. Waken veronderstelt oplettendheid, ook dan wanneer er ogenschijnlijk niets aan de hand lijkt. Al is het maar omdat de duivel nimmer rust.
In Efeze 6 wordt geschreven over de strijd, waarin gelovigen gewikkeld zijn. De duistere machten zijn altijd gericht tegen de gelovigen, omdat zij van God zijn. Aan de gelovigen zelf kunnen zij geen schade toebrengen, maar wel hun geloof. Aan het leven van de gelovige kunnen zij niet komen (dat is in Gods hand), maar wel aan het beleven. Vandaar het dringende advies van Paulus: "Doet dan de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen (Grieks: ´methodes´) des duivels...". Het standhouden is niet: in eigen kracht op de vijand af gaan, maar gaan (en blijven) staan in de overwinning, die door God is gegarandeerd. Waakzaamheid is dus geboden. Het houdt de mens scherp en doet hem groeien in geloof en geestdrift. Derhalve, weest ook gij bereid!

Pastoor C. Müller

Hebzucht

In het Evangelie van zondag 4 augustus (18e zondag door het jaar) gaat het over de hebzucht van de mens. Het woordje “zucht” veronderstelt een sterk, overdreven, in sommige gevallen ongezonde mate van verlangen. Men vindt het bijvoorbeeld terug in de uitdrukking “zucht naar vrijheid” of “zucht naar avontuur”. Als negatieve betekenis vindt men het terug in heerszucht, behaagzucht, drankzucht, bemoeizucht en hebzucht.
Hebzucht maakt niet vrij, maar bindt de mens. "Wie het geld liefheeft, wordt van geld nooit verzadigd." (aldus Prediker 5,9). Deze boodschap klinkt het hele verdere gedeelte door, onder andere in Prediker 6,7: "Al het zwoegen van de mens is voor zijn mond en toch wordt de begeerte niet vervuld." De teneur van deze verzen is dat wie zijn hart gericht heeft op rijkdom, ten diepste een ongelukkig leven leidt, uiteindelijk niet kan genieten van het leven.
Goed is te zien dat onder de hebzucht feitelijk een ander en dan positief gegeven schuilgaat; nl. ons verlangen naar een oneindige liefde. Zo zijn we geschapen om lief te hebben. Maar dat omvat veel meer dan enkel liefde voor onszelf en anderen. God heeft in ons een oneindig verlangen gelegd naar Hemzelf. Wanneer we evenwel God uit het oog verliezen, zoeken we ons heil dikwijls enkel hier op aarde, in mensen én dingen. Door de erfzonde mondt dit vaak uit in heers- en hebzucht. Voor Christenen is het zaak dit oerverlangen te herontdekken door met God in contact te treden. Moge Hij dan onze enige zucht zijn.

Pastoor C. Müller

Heer, leer ons bidden

In juli trekken velen eropuit, gaan op vakantie. Het is een tijd om andere dingen te doen en … om meer aandacht te geven aan het eigen gezin. Door het jaar dienen we immers onze aandacht veelal te verdelen over tal van zaken, in de vakantie hoeven we dat niet te doen. Waar de een dan graag een boek leest, daar bezoekt een ander liever een bezienswaardigheid. Dat kan bijv. een kerk zijn, zeker in de zuidelijke landen, waar de kerken veelal nog open zijn.
In het Evangelie van zondag 28 juli vragen de leerlingen aan Jezus: “Heer, leer ons bidden”. Blijkbaar wisten ze niet goed hoe dat bidden nu moet. Mogelijk merkten zij op dat Jezus dit anders deed dan zijzelf. Die vraag nu staat er niet geheel toevallig. Bidden vergt namelijk oefening, omvat een leerproces. Het is meer dan zomaar wat woorden prevelen. Bidden veronderstelt onder meer dat je voeling hebt met wie jij ten diepste bent -met alles wat daarbij hoort, zowel de mooie dingen, alsook de moeilijke dingen- én dat je gelooft in een God, die van jou houdt en met jou begaan is; iets dat niet voor iedereen zo vanzelfsprekend is. Bidden vergt een zekere moed om naar binnen te kijken, om je uiteen te zetten met dat wat jou beweegt en bezighoudt. Bidden omvat heel onze persoon, niet alleen ons verstand, maar vooral ook ons hart.

Daarom enkele tips voor bij het bidden.

- 1 Hou het simpel. Wees eenvoudig in je gebed en … wees jezelf.
- 2 Neem de tijd. Vaak zijn we zuinig als het gaat om onze tijd voor God. Weet dan dat gebed ons veel meer biedt dan tal van andere (verstrooiende) activiteiten zoals Tv-kijken. Bid ik omdat het zo hoort of omdat ik tijd met God wil doorbrengen?
- 3 Zorg voor een eigen plek (waar je niet wordt afgeleid) en wees trouw. Zo voorkom je dat je te veel door je gevoelens wordt bepaald (daardoor vaak ook minder door Hem).
- 4 Als je bidt, begin dan met de Heer te danken voor wat je mocht ontvangen.
- 5 Vergeet ook niet voor jezelf te bidden, als je gewoon bent enkel voor anderen te bidden.

Pastoor C. Müller

Jezus, Maria en Marta

In het Evangelie van zondag 21 juli lezen we hoe Jezus ontvangen wordt in het huis van de zussen Marta en Maria. Terwijl Marta bezig is met het bedienen, luistert haar zus Maria naar Jezus, hun gast. Marta zegt er iets over - zou Jezus ook niet haar zus kunnen aansporen mee te helpen bij het bedienen … ? Jezus evenwel merkt op: “Marta, Marta, wat maak jij je druk en bezorgd over vele dingen. Slechts één ding is nodig, Maria heeft het beste deel gekozen”.
Niet enkel actie is dus van belang, maar allereerst contemplatie (gebed en bezinning). Daardoor leert men te onderscheiden wat te doen en wat niet. Heel wat actie is goedbedoeld, maar is het wel naar Gods wil …?
Feitelijk dienen we beide te doen. “Bid … en werk”, zo leert ons de regel van de H. Benedictus. Actie zonder bezinning en onderscheiding, is niet aan te bevelen. Beter is beiden te betrachten, juist in hun samenhang, dus zowel contemplatie, alsook actie. In vele orden gebeurt dit ook. Zo begint men veelal ‘s ochtends met gebed en een H. Mis, om daarna “aan het werk” te gaan, bijv. in het onderwijs.
In het leven van onder meer Moeder Teresa ziet men goed hoe beide aspecten tot “einklang” zijn gekomen. Zo was moeder Teresa heel actief, maar deed zij alles vanuit een voortdurende verbondenheid met de Heer. Het vormt deels de verklaring waarom deze kleine zuster zo veel tot stand heeft gebracht, zowel op materieel gebied (ten bate van de armen), alsook op geestelijk gebied (indachtig de vele roepingen en de impact van haar boodschap én leven op onze wereld). Hetzelfde kan men zeggen over Paus Johannes Paulus II, eveneens heilig verklaard.

Pastoor C. Müller

“Wie is mijn naaste?”

Bovenstaande vraag weerklinkt in het Evangelie van zondag 14 juli. Jezus antwoordt daarop met een parabel, die van de barmhartige Samaritaan. Het verhaal is bekend. Een man wordt beroofd. De rovers laten hem halfdood achter. Twee voorbijgangers lopen door, ze laten de gewonde man aan zijn lot over. De derde voorbijganger – een Samaritaan – verzorgt hem en brengt hem naar een herberg. Daarop vraagt Jezus aan zijn gehoor: Wie van de 3 voorbijgangers lijkt u de naaste te zijn? Daarbij moet men weten dat de Joden Samaritanen beschouwden als onrein. De vragensteller evenwel begreep het en antwoordde: “Die hem barmhartigheid betoond heeft”.
De parabel wil ook ons aan het denken zetten. Nader bezien is de naaste in feite diegene die wij als “naaste” als zodanig aannemen. Het is in feite niet de fysieke afstand tot de ander die iemand “naaste” doet zijn (in de zin van nabij), maar veeleer de instelling van ons hart. Het is ook hier onze liefde die eventuele grenzen doet overbruggen. Zo maken wij bijvoorbeeld de ander tot naaste wanneer we bereid zijn hem of haar te vergeven, mocht hij of zij door ons “op afstand zijn gezet”, door een ongelukkig woord, dan wel een misverstand. Welbeschouwd zegt het begrip “naaste” allereerst iets over ons en minder over de ander, die al dan niet ons fysiek, dan wel geestelijk nabij is. Het is onze liefde voor die ander die hem tot naaste maakt, in zoverre we de ander beminnen zonder voorbehoud.

Pastoor C. Müller

“Gaat dan, maar neemt geen beurs mee, geen reiszak… .”

In het Evangelie dat wordt gelezen in het weekend van 6-7 juli, spreekt de Heer tot zijn 72 leerlingen (14e zondag door het jaar C). Alvorens hen 2 aan 2 uit te zenden, houdt Hij hen het volgende voor: “Zie, Ik zend u als lammeren onder de wolven; neemt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoeisel en groet niemand onderweg.” Dat lijkt een vreemde aansporing. Edoch, van de leerlingen wordt in feite verlangd dat ze bereid zijn alles van God te verwachten en niet bezig te zijn met zaken, die hen kunnen afleiden van hun zending, hun opdracht.
Menselijke zorgen werken dikwijls als verstrooiingen. Voor de heiligen waren zij veelal een aansporing én reden om de Heer te danken (omdat ze veelal de diepere betekenis van hun noden zagen in het licht van Gods heilsplan), evenwel voor ons - gewone mensen - zijn zorgen veelal een beproeving, een last. Het is in feite paradoxaal, waar bezittingen mensen kunnen helpen goed te doen, daar vormt ons bezit vaak een begrenzing, voor zover wij er aan vastzitten. Daarom is het goed zaken op te ruimen, ze los te laten. Door op te ruimen, leer je ze te relativeren. Door spullen weg te doen, ontdekken mensen dikwijls weer dat wat allengs is ondergesneeuwd, te weten de waarde van immateriële zaken. Het is immers niet de materiële rijkdom die het hart van een mens vervult, maar de immateriële - God incluis.

Pastoor C. Müller

Dralen …

Iedereen kent het wel. Een moeder vraagt iets aan zoonlief. Hij zegt het te zullen doen, maar laat vervolgens op zich wachten. Menige ouder weet hierover mee te praten. Overigens, voor zoonlief zou men ook “manlief”, dan wel “dochterlief” kunnen invullen. Blijkbaar is dat wat we zelf willen, belangrijker dan wat de ander vraagt.
Iets dergelijks vinden we ook terug in het Evangelie en wel in dat van de 13e zondag door het jaar C (30 juni). Het gaat over de navolging. Jezus geeft enkele voorbeelden van “draalgedrag”. Zo zegt de een tegen Jezus: “Heer, laat mij eerst teruggaan om mijn vader te begraven”, terwijl een ander meent: “Ik zal U volgen, Heer, maar laat mij eerst afscheid nemen van mijn huisgenoten”. Als het gaat om eigen voornemens, zien we trouwens vaker iets soortgelijks. Wij nemen ons iets voor, maar dralen met de uitvoering.
Is dat niet zonde? Zo laten we heel wat kansen voorbijgaan om goed te doen en anderen te helpen. Dralen is welbeschouwd “half” leven, in het ergste geval je roeping missen. Daarmee beledigen we niet alleen God en de medemens, maar doen we feitelijk ook onszelf tekort. Ja, in de mate waarin we “openstaan”, zullen we zien hoe veel God ook aan ons heeft toevertrouwd. Het is aan ons om het te willen horen en te zien … en er gehoor aan te geven door onze keuzes en daden.

Pastoor C. Müller