De rijke jongeling                                                                                         

In het Evangelie van zondag 10 oktober (28e zondag door het jaar) wordt ons een parabel voorgehouden. Het gaat over een rijke jongeman die Jezus ontmoet. Deze vraagt Hem: “Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?” Jezus spreekt daarop over de 10 geboden. De jongeling merkt op dat hij ze onderhouden heeft van zijn jeugd af. Jezus kijkt hem vervolgens liefdevol aan en vervolgt: “ Eén ding ontbreekt U, ga verkopen wat je bezit en geef het aan de armen (daarmee zult ge een schat bezitten in de hemel) en kom dan terug om Mij te volgen.” De jongen gaat vervolgens ontdaan heen, omdat hij vele goederen bezat.

Boeiend is te zien hoe Jezus de jongeling niet zozeer wijst op een “moeten” (indachtig de vraag ”Wat moet ik doen …), maar wel op een laten. Ja, laat je rijkdom hier achter, want er is een andere (geestelijke) rijkdom. Velen associëren welzijn met “hebben” (onze materiële rijkdom). Maar gaat het feitelijk niet om ons “zijn”. Ja, wie ben jij? Ben je niet oneindig meer dan wat je meent te hebben?

Mensen zoeken geluk vaak in het hebben, in de controle, in het be-grijp-en, in de zelfredzaamheid. Terwijl juist het leven ons leert, dat we welbeschouwd heel veel niet in de hand hebben. Is het niet beter te vertrouwen op God, die met ieder van ons een plan heeft en te geloven in zijn liefde en Zijn plan met u? Dan zult u gaandeweg ontdekken dat ware rijkdom vooral te vinden is in het liefhebben van God en de naaste.

Jezus zei tot de jongeling: “Eén ding ontbreekt U, ga verkopen wat je bezit”. Die zin mag ons aan het denken zetten, juist omdat de man meende dat er niets ontbrak. Welnu, waarover hij niet beschikte, dat was zijn vrijheid om los te laten. Iets dergelijks zien we ook in onze dagen. Hoe veel mensen worden ook thans niet bepaald door wat ze bezitten? Velen zijn paradoxaal juist daardoor gebonden en onvrij, ofschoon velen menen dat rijkdom vrijheid schept. Jezus nu leert ons verder te kijken.

Pastoor C. Müller

Oktobermaand - Mariamaand                                                                     

In de katholieke kerk is de maand oktober gewijd aan de rozenkrans. De keuze voor deze maand hangt samen met de liturgische gedachtenis van Maria van de Rozenkrans op 7 oktober. Deze viering werd ingesteld door paus Pius V in 1571. Hij had de christelijke overwinning van de Slag bij Lepanto (7 oktober 1571) toegeschreven aan het bidden van de rozenkrans. Het rozenkransgebed werd gepropageerd door de orde der Dominicanen, waartoe Pius V zelf ook behoorde. Volgens een oude overlevering was de rozenkrans een geschenk van de Heilige Maagd Maria aan Sint Dominicus (1170-1221), stichter van de dominicanen. Maria zou de rozenkrans hebben gegeven als wapen in zijn strijd tegen de Albigenzen. Het gebruik om jaarlijks de hele maand oktober in het teken van de rozenkrans te stellen, dateert uit de 19e eeuw. Het was paus Leo XIII (1878-1903) die een intensere Maria-devotie in deze maand heeft bevorderd door zijn oproep om extra vaak de rozenkrans te bidden. Opmerkelijk is dat Leo XIII in totaal tien encyclieken over het rozenkransgebed schreef. Alle werden gepubliceerd in september, ter voorbereiding van de daaropvolgende rozenkransmaand. Alle pausen na hem hebben de gelovigen opgeroepen in oktober extra tijd aan de rozenkrans te besteden. Het bidden van een rozenkrans gaat gepaard met het gedenken van geloofsgeheimen. We kennen er twintig (4 x 5). Naast de zgn. 5 'blijde', kennen we ook de 5 'droevige' en de 5 'glorievolle' geheimen. In 2002 heeft paus Johannes Paulus II, bij het begin van het Jaar van de Rozenkrans, daar de 'vijf geheimen van het Licht' aan toegevoegd. De 20 geheimen vormen een samenvatting van het Evangelie. Door het bidden van de rozenkrans wordt men meer bewust van het leven, lijden, sterven en verrijzen van Jezus Christus
.
Pastoor C. Müller

Dreigt uw hand u aanleiding tot zonde te geven, hak ze af (Mc. 9,43)

Jezus kennen we als zachtmoedig, vredelievend en beheerst. Anderzijds is Hij ook duidelijk, ja onverbiddelijk als het gaat om de zonde (aldus het Evangelie van zondag 26 september). Want de zonde doet ons van God vervreemden. Maar dat niet alleen, de zonde doet ons óók van de naaste vervreemden, alsook van onszelf.

Onlangs was ik wederom in Medjugorje, in Bosnië-Herzegovina. Het betreft een bedevaartplaats waar heel veel wordt gebiecht. Maria wordt hier vereerd onder de titel “Koningin van de vrede (en de verzoening)”. Drie middagen nam ik plaats in een van de vele biechtstoelen, om er biecht te horen. Mensen die vele jaren vervreemd zijn geweest van God en zijn Kerk, vinden hier de weg terug. Vaker dacht ik aldaar aan de parabel van de verloren zoon, die na een leven van zonde en verkwisting terugkeerde naar zijn vader. Mensen worden in Medjugorje geraakt door Gods genade en beseffen er dikwijls hoeveel rampspoed hun eigen zondigheid henzelf en anderen heeft berokkend. Ja, zonde kan mogelijk een kortstondig plezier dan wel voordeel opleveren, de nasmaak blijkt veelal bitter. Door te biechten nemen mensen hun eigen verantwoordelijkheid serieus en mogen ze ervaren hoe barmhartig God is. Tegenover het “neen” van de zonde, staat in de biecht het “ja” van God, die steeds bereid is om te vergeven. Het is en blijft een groot mysterie te zien hoe mensen soms vele jaren ronddwalen en anderen en zichzelf veel kwaad berokkenden, om later zich te verzoenen met God en de naaste. De levensbiechten van deze en gene laten je als priester niet onberoerd. Maar dat niet alleen. Velen belijden ook hun innerlijke nood, die het gevolg is van een leven van moreel verkeerde keuzen, die meer dan eens verband houden met de zondigheid van een ander, die grote wonden heeft geslagen in het leven van de betreffende boeteling. Zo leidt dikwijls het kwaad van de een (bijv. een vader) tot kwaad in het leven van de zoon (die hiermee in opstand komt tegen zijn vader en zo zijn gramschap botviert tegenover hem en anderen). Zonden beperken zich eigenlijk nooit tot de zondaar zelf. Anderen leiden er ook onder (niet zelden diegenen die de zondaar zeer nabij staan). Jezus nu, Hij weet waarover Hij spreekt. Hij gruwt van de zonden. Hij heeft er ook een uitzonderlijke prijs voor betaald, te weten Zijn leven.

Pastoor C. Müller

 

 

 

Als iemand de eerste wil zijn … (Mc. 9,30-37)                                            

Vraagt Jezus niet te veel? Is het wel te volbrengen? Deze en andere vragen stellen mensen soms, al is het zelden hardop. Iets dergelijks vinden we ook terug in het Evangelie. In het Evangelie van zondag 19 september (25e zondag door het jaar) staat dat de leerlingen er voor terug schrokken om Jezus te ondervragen, over hetgeen Hij zei over zijn naderend lijden, sterven en verrijzen.

Later vraagt Hij hun waar ze onderweg over hadden getwist. Ze zwegen, zo staat er. Uit de tekst blijkt dat het ging over de vraag wie de grootste was. Uit de reactie van Jezus mogen we opmaken, dat Hij desondanks wist waarover ze hadden gesproken, ofschoon ze tegenover Hem zwegen. Jezus houdt hen dan voor: “Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten wezen en de dienaar van allen.” Dit woord van de Heer past helemaal bij een andere beroemde zin: “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld” (Joh. 18,36).

Jezus nu, Hij denkt anders, draait vaak zaken om. Het gaat bij Hem niet om winnen, om status, om rijkdom; dat zijn zaken van de wereld. Wat blijvende waarde heeft, dat is onze liefde. Wie liefheeft, denkt vooral aan de ander en is bereid te dienen. Met die grondhouding bouwen we aan een betere wereld, waarin ook de zwakke meetelt en niet alleen hen die succes hebben en dikwijls vooral oog hebben voor hun eigen drijfveren. De geschiedenis laat het ook zien. Grote figuren als Franciscus, Don Bosco, Ignatius en vele anderen, die hun leven geheel in dienst stelden van anderen, laten nog steeds een onuitwisbare indruk achter, terwijl vele andere “prijswinnaars” allang vergeten zijn. Ja, wereldse roem en rijkdom blijkt heel vergankelijk. 

                                                                                                                      

Pastoor C. Müller                                                                                                                

                                                                          

 

Over het hart van de mens …                                                                     

In het Evangelie van zondag 29 augustus (22e zondag door het jaar B) spreekt Jezus over het hart van de mens, dit naar aanleiding van een opmerking over het met ongewassen (onreine) handen eten van voedsel. Mensen kunnen soms vasthouden aan allerlei regels, die het zicht vertroebelen om waar het nu vooral om dient te gaan en dat is de binnenkant van de mens. Jezus verwijt de Farizeeën dat zij vooral vasthouden aan wetten van mensen. Nee, niets dat wat van buitenaf in de mens komt, kan hem bezoedelen; maar wel wat uit het binnenste uit het hart van de mens komen, zoals boze gedachten, ontucht, echtbreuk, bedrog en losbandigheid. Dit staat haaks op wat mensen heden ten dage vaak menen: Doe maar wat je hart ingeeft! Jezus maakt een duidelijk onderscheid tussen goed en kwaad, terwijl de moderne mens dikwijls meent: als ik uitdrukking geef aan mijn voorkeuren en wensen, dan is dat goed. Maar is dat ook goed? Vaak zijn we kortzichtig en zien we vooral ons eigen belang. Mensen beamen dat soms ook, als ze nadien zeggen: “Had ik maar beter nagedacht en had ik maar niet die eerste impuls gevolgd”.

In feite roept Jezus ons op na te denken bij al datgene wat ons hart ons “ingeeft”. Daarbij is het goed je af te vragen: Wat zou God nu van mij willen, in deze concrete situatie?

 

Pastoor C. Müller                                                                                               

                                                                                             

Wilt ook gij soms heengaan?                                                           

In het Evangelie van zondag 22 augustus 2021 (21e zondag door het jaar B) morden de leerlingen over hetgeen Jezus daarvoor zei over Zichzelf als het levende Brood. Jezus nu weet uit Zichzelf dat ze erover morden en reageert er op. Ten gevolge hiervan trokken velen van zijn leerlingen zich terug en verlieten zijn gezelschap. Daarop vroeg Jezus aan de twaalf: “Wilt ook gij soms weggaan?” Petrus geeft daarop te kennen: “Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.“

Wat hiervoor opvalt is dat Jezus niets ontgaat (ook dat wat we in ons hart menen). Voorts, dat Hij ieder van ons de keus laat. Petrus geeft op de vraag van Jezus (“Wilt ook gij soms weggaan?”) het “kerkelijke antwoord”. Het is aan ieder van ons om dat te beamen. God heeft ons als vrije schepselen geschapen; het zit besloten in Zijn vraag: “Wilt ook gij soms heengaan?” Hierbij is goed te beseffen dat niemand tot God de Vader kan komen, tenzij door Jezus Christus. Ja, Jezus is zowel onze Verlosser, alsook de deur; maar ook Diegene aan wie het oordeel over ieder van ons is gegeven, aldus de Schrift. Zij die Hem afwijzen, dan wel negeren, beseffen dikwijls niet wie Hij is. Ja, is het niet heel jammer dat velen “op afstand blijven”, dan wel “zijn weggegaan”, terwijl Jezus er alles aan heeft gedaan om de afstand tussen God en zijn schepselen te overbruggen?           

 

Pastoor C. Müller                                                                                                 

Hoogfeest Maria Tenhemelopneming                                                         

Op zondag 15 augustus gedenken we als kerk dat de Maagd Maria met lichaam en ziel in de hemel is opgenomen. Paus Pius XII kondigde in 1950 dit geloofsmysterie af als dogma: “Tenslotte is de onbevlekte Maagd, gevrijwaard van ieder smet van de erfzonde, in het voltooien van haar aardse levensloop in de hemelse heerlijkheid opgenomen en door de Heer verheven tot koningin van het heelal, om zo gelijkvormiger te worden aan haar Zoon, de Heer der heren en de overwinnaar van zonde en dood”, aldus de paus.

'Opgenomen met lichaam en ziel' betekent dat de dood geen macht meer heeft over Maria. Haar overlijden betreft ook de totale aanvaarding van haar persoon door God. Haar hemelvaart is een bijzondere deelname aan de Verrijzenis van haar Zoon. Maria is reeds het volmaakte geluk ten deel gevallen dat ons allen wacht als broeders van Christus, die door Maria een mensenlichaam heeft aangenomen. Zo zien wij op dit feest met vreugde uit naar de dag waarop de Heer ook ons aardse lichaam zal herscheppen om het gelijkvormig te maken aan zijn verheerlijkt lichaam en om te voltooien wat Hij begonnen is sinds zijn menswording uit Maria. Het feest attendeert ons op onze eindbestemming. Jezus en Maria zijn ons voorgegaan. Als Gods kinderen (doorheen ons doopsel) en als geestelijke kinderen van Maria (“Ziedaar Uw moeder”) mogen we telkens tot haar onze toevlucht nemen. Zij wil ons steeds naar Jezus voeren, die is de Weg, de Waarheid en het Leven.

             

   Pastoor C. Müller