Melaatsheid                                                                                                  

In het Evangelie van zondag 14 februari (6e zondag door het jaar) geneest Jezus een melaatse. In die dagen was een melaatse niet enkel een zieke, maar ook een soort paria, een uitgestotene. De melaatse leefde afgezonderd, dikwijls in een soort kolonie met lotgenoten vanwege het besmettingsgevaar. Mogelijk ook omdat hun gezicht, handen en voeten dikwijls misvormd waren. Mochten zij buiten het dorp iemand onverhoopt tegenkomen, dat moesten ze roepen “onrein, onrein”. Lepra werd vaak in verband gebracht met een zondig verleden, als een soort van straf.

Wanneer Jezus de melaatse geneest (feitelijk wordt hier gesproken over reinigen), doet Hij 2 dingen. Hij raakt de melaatse aan en zegt tegelijkertijd: “Ik wil, word rein”. Terstond verdween daarop de melaatsheid en was de man gereinigd.

Het verhaal doet denken aan dat andere bijbelverhaal, waar een vrouw al vele jaren aan bloedvloeiing leed (Lucas 8, 40-56). Zij is niet alleen ernstig ziek, maar ook voor de gemeenschap een uitgestotene. Volgens de Joodse wetten was zij immers onrein en mocht niemand haar aanraken, noch mocht zij anderen aanraken. Ze raakt Jezus evenwel aan. “En meteen was het over, het bloeden, en zij werd gewaar aan haar lichaam dat zij van haar kwaal was genezen.” Jezus merkt onmiddellijk op dat er kracht van Hem was uitgegaan. Hij keert Zich en zegt: “Wie raakte daar aan mijn kleren?“

Het verhaal van zowel de melaatse als dat van de vrouw, laten zien hoe groot de liefde van God voor ons mensen is, al zijn we nog zo ziek, geschonden, dan wel zondig. De melaatse ging naar Jezus toe, zo ook de vrouw. De Heer is beiden ter wille. Derhalve - wat let ons om net als deze 2 zieken naar de Heer toe te gaan? Hij vraagt van ons enkel geloof.

 

Pastoor C. Müller