Ben ik mijns broeders hoeder? (Gen.4,9)

In het Evangelie van de 23e zondag door het jaar (6 sept.) wijst Jezus zijn leerlingen op de heilige plicht om de ander te helpen weer de rechte weg te bewandelen. Zo staat er: “Wanneer uw broeder gezondigd heeft, wijs hem dan onder vier ogen terecht. Luistert hij naar u, dan hebt gij uw broeder gewonnen. Maar luistert hij niet, haal er dan nog een of twee personen bij, opdat alles beruste op de verklaring van twee of drie getuigen. Als hij naar hen niet wil luisteren, leg het dan voor aan de kerk. Wil hij ook naar de kerk niet luisteren, beschouw hem dan als een heiden of tollenaar”.
De zogeheten “broederlijke vermaning” dient niet zozeer om de ander terecht te wijzen, maar hem te behouden, met het oog op zijn zielenheil. Zij veronderstelt een waarachtige naastenliefde en een goede zelfkennis bij diegene die de ander “vermaant”. Wil een boot haar bestemming bereiken dan dient de schipper koers te houden. De kapitein dient zonodig bij te sturen, mede vanwege de mensen op zijn schip. Wij mensen kunnen soms ook onze eindbestemming uit het oog verliezen en verdwalen, indachtig de parabel van het verloren schaap. Dan is het goed dat er anderen zijn om ons weer op weg te helpen en bij te staan.
Relevant hierbij is ook de eerste lezing van dezelfde zondag, waar God de profeet wijst op het volgende: “Zo spreekt de Heer: Gij, mensenkind, als wachter heb Ik u aangesteld over het volk van Israël. Hoort gij een woord uit mijn mond, waarschuw hen dan namens Mij! Als Ik tot de boosdoener zeg: Jij, boosdoener, jij moet sterven! en als gij dan uw mond niet opendoet en de boosdoener niet waarschuwt voor zijn gedrag, dan sterft die boosdoener wel om eigen schuld, maar dan kom Ik zijn bloed van u opeisen. Hebt gij de boosdoener echter gewaarschuwd voor zijn gedrag, hem gezegd dat hij zich moet bekeren, en hij bekeert zich niet, dan sterft hij om zijn eigen schuld, maar gij hebt uw leven gered.”
Welnu, wat destijds gold, geldt ook anno 2020. Omdat we heden ten dage gewend zijn onze eigen gang te gaan, en vaak menen “iedereen in zijn waarde te (moeten) laten” -dat soms eerder getuigt van onverschilligheid dan echt respect voor die ander- houden we vaak maar onze mond. Respect evenwel betekent ook dat je de ander durft te wijzen op de gevolgen van een welbepaalde keuze. Daarbij loopt men het risico dat die ander je mogelijk voortaan zal mijden. Van belang is steeds verder te kijken dan het hier en nu en oog te hebben voor het heilsplan van God, dat dikwijls haaks staat op “de wijsheid van hen die werelds denken”. Wat te denken van een vader die nooit iets durft te zeggen, terwijl je van hem mag verwachten dat hij zijn kinderen bijstuurt als hij dat nodig acht met het oog op de toekomst van zijn kinderen? Het zou raar zijn als hij –om wat voor reden dan ook– dan zou zwijgen (indachtig de eerste lezing). De geschiedenis is hierin ook onze leermeester. Daarom tot besluit een bekend citaat van de Ierse filosoof Edmund Burke: “Het enige dat nodig is voor het zegevieren van het kwaad is dat goede mensen niets doen.”

Pastoor C. Müller