Over delen en geven

Wanneer mensen bereid zijn te delen, dan blijkt dat vaak onvermoede effecten te sorteren. Door een ander iets te geven, helpt men onder meer mensen hun waardigheid te hervinden. Door iets te geven, zeg je tot de ander dat hij/zij ertoe doet. Geven (delen) is wellicht het werkwoord bij uitstek dat hoort bij het begrip “liefde”. Gods liefde wordt daarom vaker voorgesteld als een bron, die blijft stromen, blijft geven. In het Evangelie van de 17e zondag (26 juli) gaat het eveneens over geven.
Jezus voedt de menigte door middel van de wonderbare broodvermenigvuldiging. Het aantal mannen bedroeg ongeveer 5000. Net als in de H. Mis (waar dit verhaal als een voorafbeelding naar verwijst), waar de priester gebruik maakt van de gaven die worden aangereikt, benut Jezus de vijf broden en 2 vissen, die een jongen bij zich heeft. Boeiend is te zien hoe God ons aandeel serieus neemt. Ja, uw aandeel, uw bijdrage doet ertoe, al is het misschien in het grote plaatje heel gering. Jezus doet er iets mee. Wees derhalve niet bang om te geven aan Hem die ons mensen welbeschouwd alles heeft gegeven, te weten ons leven, maar vooral ook Zijn leven.

Pastoor C. Müller

Intieme vreemden

In de jaren tachtig vond men op boekenmarkten vaker het boek terug:

‘Intieme vreemden’ van Lillian B. Rubin (psychotherapeute). Het boek toont de lezer hoe menig echtpaar met de jaren tot de ontdekking komt, dat - onverlet eenieders goede wil - man en vrouw toch dikwijls vreemden voor elkaar zijn (geworden). Ik kan me nog herinneren dat destijds door dit boek de term ‘vreemdgaan’ een andere lading kreeg. Helaas vervreemden ook in onze dagen dierbaren van elkaar, niettegenstaande hun liefde en verlangen naar nabijheid en geborgenheid.

In het evangelie van de 16e zondag nodigt Jezus zijn apostelen uit om zelf mee te komen naar een eenzame plaats om alleen te zijn en daar uit te rusten. Het is met het oog op de tijd van het jaar een passende tekst die aansluit bij het begin van de vakantie, een periode niet alleen om uit te rusten, maar ook om tijd vrij te maken voor jezelf en je dierbaren (gezin). Vakantie komt van het Latijnse ‘vacare’, dat te maken heeft met ‘je leeg (vrij) maken’ en wel door ons open te stellen voor dat wat er in ons is, alsook buiten ons (onder meer door een ander land te bezoeken). Een vakantie is als zodanig de gelegenheid bij uitstek om elkaar en jezelf weer opnieuw te zien en te verstaan.

Jezus’ opdracht mogen ook wij ter harte nemen. Immers, door je te bezinnen (alleen te zijn) hebben de eeuwen door velen zichzelf weer hervonden en wel door weer bij zichzelf (en God) thuis te komen. Je zou dit een weg tot ‘ontvreemding’ kunnen noemen. Pas op de plaats maken, tijd voor jezelf en je dierbaren inruimen, is in onze jachtige tijd hoognodig, door vaker de spreekwoordelijke vinger aan uw hart en ziel te houden. Graag wens ik u dat toe en hen die deze dagen op vakantie gaan. Dat men zo ‘(ver)nieuw(d)’ thuis mogen weerkeren.

Pastoor C. Müller

Wees mijn getuigen in deze wereld

In het Evangelie van de 15e zondag zendt Jezus zijn leerlingen uit, twee aan twee, om te prediken dat men zich moe(s)t bekeren. Feitelijk zijn alle gedoopten geroepen om te delen in die zending van onze kerk, te weten mensen dichter tot Jezus te voeren. Het is niet enkel een taak voor priesters, religieuzen en toegewijde leken, maar voor eenieder die zijn geloof serieus neemt. Daartoe heeft God aan ieder van ons talenten meegegeven. Ja, iedereen kan op zijn/haar plaats als christen door daden en woorden getuigen van zijn geloof. Die missionaire opdracht betreft een gemeenschappelijke opdracht (vandaar dat ‘twee aan twee’).

Ons geloof is immers geen privé-zaak - we worden door elkaar gelovig. Sint Paulus houdt het ons voor: Geloven komt via het horen (Romeinen 10). Stel je eens voor dat de apostelen (‘gezondenen’) hun mond hadden gehouden en ons de waarheid van het geloof hadden onthouden? Voor menige priester is in dit verband met name de moeder niet alleen een voorbeeld, maar ook diegene die door haar gebed en haar geloof aan de wieg heeft gestaan van zijn priesterroeping. In feite is ieder christelijk huwelijkspaar geroepen om als paar (als twee-eenheid) een licht te zijn voor anderen. Jezus verwacht met name van zijn leerlingen dat ze in liefde met elkaar samenwerken. Ja, wie het evangelie verkondigt, moet eerst zelf het evangelie beleven, het evangelie van de liefde. En dat kun je niet alleen. Daarbij mag de ander je tot steun zijn, die met name voor je bidt wanneer jij getuigenis aflegt van de hoop die de Heer in ons heeft gelegd. Zoals onlangs leden van het Legioen van Maria uit Ierland deden, toen ze in Velden en Venlo mensen bezochten.

Pastoor C. Müller

 

Het zal je familie maar zijn...

“Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria?”
Het blijkt bij nader bezien een “dubbele” opmerking van mensen uit de plaats waar Jezus is opgegroeid, wanneer ze Hem horen spreken in hun eigen synagoge. Voor mensen is dikwijls de familie waar wij vanaf stammen maatgevend als het gaat om hun idee over wie wij dan zijn. Het gaat daarbij niet om de persoon an sich, maar vooral om de “roep” (naamsbekendheid) die iemands familie heeft. Het is welbeschouwd een bekrompen vorm van denken, dat personen ondergeschikt maakt aan (voor)oordelen van anderen. Immers, hoe goed kennen wij nu de familie van deze of gene? En wat kan een zoon van een veroordeelde dief er aan doen, dat zijn vader in de gevangenis zit vanwege diefstal? Maar ook waarom zou Jezus niet “slechts” de zoon van een timmerman kunnen zijn? Opmerkelijk is dat door dit quasi-vrijblijvende denken, (voor)oordelen in stand worden gehouden, Jezus er geen enkel wonder kon verrichten. Het Evangelie van de 14e zondag nodigt ons uit stil te staan bij onze eigen oordelen en vooroordelen. Ja, hoe goed kennen we eigenlijk diegene waarover wij een oordeel menen te moeten hebben? Zeker als je beseft dat (voor)oordelen vooral dienen om het eigen denken en handelen te bevestigen. Vooroordelen verhelderen niet, maar vertroebelen veeleer iedere mogelijkheid om te komen tot begrip voor de (onbekende) ander. Daarmee doen we niet alleen de ander tekort, in feite ook onszelf (je blokkeert daardoor immers de mogelijkheid voor een nieuwe vriendschap), alsook onze Schepper en Heer, die dikwijls schuilgaat in de medemens.

Pastoor C. Müller

Was Jezus een haptonoom?

Tijdens zijn openbaar leven ontmoet Jezus heel veel mensen. Om allerlei redenen zoeken ze Hem op. Anderen daarentegen worden door de Heer gezocht, in het bijzonder hen die later apostel zouden worden. In het Evangelie van zondag 28 juni (13e zondag door het jaar) ontmoet Jezus onder meer een vrouw die aan bloedvloeiing leed. Stiekem raakt zij zijn kleren aan te midden van de drukke menigte. Terstond hield de bloeding op. Jezus is het echter niet ontgaan. Hij werd er Zich van bewust dat op hetzelfde moment een kracht van Hem was uitgegaan:

“Wie heeft mijn kleren aangeraakt.” (Mc. 5,30)

Het is een opmerkelijk verhaal. Het doet me denken aan een fenomeen dat jaren geleden in de wereld van profvoetballers en andere sterren in zwang raakte; de haptonomie. Het begrip stamt van het werkwoord haptein - wat betekent: aanraken, verenigen, een relatie vestigen, zich hechten aan.... en in overdrachtelijke zin: in (tactiel) contact treden om gezond te maken, te helen, te bevestigen. Dit specifieke contact typeert de haptonomische benadering: het ontmoetend, helend aanraken om de ander in zijn wezen te bevestigen.

Welnu, als wij ter Communie gaan, raken ook wij de Heer aan. Helaas, net als toen, lijkt het echter niet iedereen “te raken”. Van belang is dan ook verder te lezen. Zo vernemen we even later wat de Heer tot de vrouw zei: “Dochter, uw geloof heeft u genezen!” Datzelfde zinnetje nu vinden we vaker terug in het Evangelie. Ja, de Heer vermag veel als wij maar geloven. Ons geloof heeft iets weg van een deur, in de mate dat we geloven, staat de spreekwoordelijke deur van ons hart al dan niet open voor de Heer. Het verhaal wil ons prikkelen, ons raken, zoals Jezus destijds de betreffende vrouw wist te raken, voor en tijdens hun ontmoeting.


Pastoor C. Müller

 

Wees niet bevreesd (Mc. 4, 40)

Mensen worden vaak bepaald door hun angsten, ook zijn die veelal onbepaald, in tegenstelling tot vrees (dat duidt op een concreet gevaar). Jezus zegt het ook ons: Wees niet bevreesd. Ik ben er, ook al meen jij dat Ik slaap.
Vandaar onderstaand passend gedicht van Nel Benschop.

Wees niet bevreesd, wanneer de nacht gaat vallen,
Wees niet bevreesd, wanneer het donker wordt.
Hier is Mijn hand, wees maar niet bang te vallen.
Ik houd je vast, Mijn macht schiet nooit tekort.

Wees niet bevreesd, wanneer de golven stijgen,
zodat het water tot de lippen komt.
Want met een wenk doe Ik de winden zwijgen
en zee en aarde liggen als verstomd.

Wees niet bevreesd, wanneer je krachten minderen,
want in jouw zwakheid wordt Mijn kracht volbracht.
Ik heb veel werk te doen, ook voor mijn zwakke kinderen.
En alles kun je, als je Mij verwacht.

Wees niet bevreesd, want Ik zal voor je zorgen.
Denk aan de leliën, de mussen die Ik voed.
Ik ben de God van heden en van morgen,
de God die leeft en die jou leven doet!

Pastoor C. Müller

 

Kiemkracht

Jezus benut heel wat parabels om de mensen iets duidelijk te maken. Een parabel is een soort van indirecte mededeling. De vertelling lijkt over een ander (dan wel anderen) te gaan, dan wel over een zaak of voorwerp (zoals een graankorrel), maar het gaat in feite over ons; het raakt diegene die de dieper gelegen boodschap op zichzelf wil betrekken. Komende zondag (14 juni) spreekt Jezus over het spreek-woordelijke mosterdzaadje. Het is een verhaal over de potentie die God in de natuur en in ons mensen heeft gelegd. Maar niet alleen dat. Zelfs een simpel vlammetje bezit het vermogen heel veel zaken te doenontbranden. Iets soortgelijks geldt in feite ook onze liefde. Ja, hoeveel goede projecten zijn niet begonnen met een welbepaalde mens, die ooit een kleinschalig idee heeft uitgewerkt, dat nadien is aangeslagen en vele mensen heeft beïnvloed en veranderd? Jezus zelf is wellicht hier het beste voorbeeld. In en door Hem is het aanzien van de wereld veranderd en hebben onnoembaar velen zich helemaal gegeven, tot aan de marteldood toe. Het is aan ieder van ons om die potentie welke God in ons heeft gelegd, te ontdekken en te cultiveren met Gods genade. Dan vermogen ook wij veel, dikwijls veel meer dan wij zelf bevroeden. Ja, beziet men datgene wat anderenhebben gedaan voor de samenleving, dan mag ons dat stichten. Het vormt tegelijkertijd een oproep aan ons, om - indachtig het beeld van  het mosterdzaadje - uit te groeien tot (geestelijk gesproken) “een grote boom”. Daarmee brengen we God eer en zegen over anderen.

Pastoor C. Müller