Kerstmis
Binnenkort vieren we weer de verjaardag van de geboorte van Gods Zoon, de Menswording van Jezus Christus. God komt tot ons, kwetsbaar en klein. Het is en blijft iets dat mensen raakt, omdat het zo dicht staat bij de menselijke ervaring van geboren worden en sterven. God deelt ons bestaan, Jezus geeft God een concreet “gezicht”. Je raakt er niet over uitgedacht. De Menswording van God doet het Christendom uniek zijn naast alle andere godsdiensten, bij wie God veelal een anonieme werkelijkheid is. God is voor ons daarentegen een Persoon, geen kosmische energie, noch een onpersoonlijke kracht. Door en dankzij Christus en zijn kerk kunnen we met God “persoonlijk” omgaan. Het is aan ons om je daarop in te laten, je er door te laten “raken”. Hierin zit ook deels het geheim van Kerstmis. Enerzijds “dichtbij”, anderzijds te groot om het te bevatten. Daarom is het goed Kerstmis allereerst met ons hart te beschouwen. En wel door weer te zijn als kinderen, die dikwijls meer “zien”, dat wij volwassenen, die menen het wel begrepen (“gezien”) te hebben. Van harte wens ik u en de uwen dat toe, deze blik van het kind dat onbevooroordeeld is en open. Dat het feest van Kerstmis u veel zegen mag geven.

Pastoor C. Müller

Jaar van de Barmhartigheid (2)

We zijn als kerk onderweg naar Kerstmis. Tijdens de Advent bereiden we ons daarop geestelijk voor, op de Menswording van Gods Zoon, samen met Maria. Zij is ons gegeven als wegbegeleidster. Het is aan ons om naar haar te kijken, naar haar openheid, naar haar zuiverheid, naar haar “fiat”, naar haar onvoorwaardelijk “ja”. Bij die voorbereiding hoort ook een bezinning aangaande onszelf. Hoe is mijn persoonlijke relatie met Christus? In hoeverre bied ik Hem (nog) een plaats in mijn leven? Net als toen vragen Maria en Jozef thans een plaats om het goddelijk Kind geboren te kunnen laten worden. Mag dat in de ruimte van uw hart geschieden? Ja, mogen Maria, Jezus en Jozef binnenkomen? Hebt u nog “ruimte”? Of zeggen ook wij: “Mijn herberg is vol, er is geen plaats (meer).”
Met het oog op die geestelijke voorbereiding, wordt in ons cluster éën gezamenlijke boeteviering gehouden en wel op maandag 21 december 2015 om 19.00 uur in de kerk van Velden. De viering duurt ongeveer een half uur. Aansluitend bestaat de gelegenheid om het sacrament van boete en verzoening (de biecht) te ontvangen. Kerstmis markeert een nieuw begin. God wordt Mens om ons te verlossen. Het is aan ons om ons te laten verlossen en wel door mee te werken met Gods genade, welke zich onder meer aandient in de vorm van berouw. Gods genade wordt ons om niet aangeboden. God gaf en geeft het meest kostbare, het meest dierbare: Zijn Zoon. Het is aan ons om het aan te nemen.

Pastoor C. Müller

Jaar van de Barmhartigheid

Met de Advent begint een nieuw kerkelijk jaar. Bijzonder is dat onze paus in mei 2015 dit nieuwe jaar (2016) heeft uitgeroepen tot een Heilig Jaar van de Barmhartigheid. Een en ander heeft hij in een preek op 13 mei 2015 bekend gemaakt. Onderstaand citaat is daaraan ontleend: “Lang heb ik nagedacht hoe de Kerk haar zending om getuigenis te geven van de barmhartigheid duidelijker kan maken. Het is een weg die begint met een geestelijke bekering; en we moeten vervolgens deze weg gaan. Daarom heb ik besloten een Buitengewoon Jubeljaar af te kondigen dat als haar middelpunt de barmhartigheid van God zal hebben. Het zal een Heilig Jaar van de Barmhartigheid zijn. We willen het beleven in het licht van het woord van de Heer: "Weest barmhartig zoals de Vader" (Lc. 6, 36). En dit vooral voor de biechtvaders. Heel veel barmhartigheid!" Dit Heilig Jaar begint op het komende Hoogfeest van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria (8 december 2015) en eindigt op 20 november 2016 op zondag Christus, Koning van het Heelal, wanneer we Christus als de Koning van het heelal vieren en als het levende gezicht van de barmhartige Vader. Ik vertrouw de organisatie toe aan de Pauselijke Raad ter Bevordering van de Nieuwe Evangelisatie, zodat zij het kunnen gebruiken als een nieuwe etappe op de weg van de Kerk in haar zending, het evangelie van de barmhartigheid bij alle mensen te brengen”. Van belang is te zien dat het begin van dit Heilig Jaar samenvalt met de Advent, een zgn. sterke tijd (net als de Vasten), een bijzondere tijd van inkeer en ommekeer, opdat wij het mysterie van Gods Menswording en Gods verlossend handelen dieper mogen verstaan.

Pastoor C. Müller

 

EEN AFLAAT WORDT VERLEEND AAN DE GELOVIGEN BIJ GELEGENHEID VAN HET HEILIG JAAR VAN BARMHARTIGHEID

Advent

Met de eerste zondag van de Advent (weekend van 28-29 november) begint een nieuw kerkelijk jaar, dat altijd eerder begint dan het nieuwe kalenderjaar (2016). Een en ander betekent voor de lezingen op zondag dat we vanaf de Advent de cyclus voor het jaar C volgen. Men vindt de betreffende lezingen ook op internet, o.m. via de website www.dagelijksevangelie.org. Het begrip “advent” betekent zoveel als “komst” en betreft de tijd van voorbereiding op het grote feest van Kerstmis, waarop we de geboorte (Menswording) van Gods Zoon in onze wereld vieren. De Advent begint altijd op de zondag die het dichtst valt bij het feest van de Heilige Andreas (30 november). Deze zondag valt tussen 27 november en 3 december. De advent eindigt op 24 december bij het avondgebed. Hierdoor is de lengte van de adventsperiode verschillend, maar telt wel altijd 4 zondagen: 1e zondag: Levavi; 2e zondag: Populus Sion; 3e zondag: Gaudete; 4e zondag: Roratee Advent begint bij de oosters-orthodoxe kerken een week eerder en telt 40 dagen (15 november). In huizen en kerken wordt de Advent zichtbaar gemaakt middels een kaarsenstandaard of een advents-krans waarop vier kaarsen staan. Elke zondag wordt een extra kaars aangestoken (symboliek: we groeien toe naar het Licht van Christus’ geboorte). Op de laatste zondag voor kerst branden dan alle kaarsen. Tijdens de adventsperiode dragen de priesters de  liturgische kleur paars, de kleur van boete en inkeer. Op de derde zondag van de advent, zondag Gaudete, kan de kleur rozegebruikt worden om het feestelijke karakter van deze zondag weer te geven. In de komende periode bezinnen we ons op de Menswording van Gods Zoon, die het vlees aannam om de sterfelijke mens te verlossen. Maar ook om voor ons een levendig voorbeeld te geven ter navolging. Wij mensen zijn immers geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.Pastoor C. Müller

Is Christus nog koning?

Traditiegetrouw vieren we op de laatste zondag van het kerkelijk jaar het Hoogfeest van Christus Koning van het heelal. Het feest werd ingesteld in 1925 door paus Pius XI bij gelegenheid van de 1600e verjaardag van het beroemde Concilie van Nicea (325 na Chr.). Het was ook de tijd van de grote seculiere ideologieën – de fascisten en nationaal-socialisten waren in opkomst en in Rusland was Stalin aan de macht. De instelling van dit feest is in het licht van de geschiedenis een opmerkelijk gebeuren, aangezien ook in onze dagen religie als bindmiddel steeds meer lijkt te vervagen. Net als toen (1925) kan men ook anno 2015 spreken van een alomtegenwoordige vervluchtiging van Christus’ gezag. We zijn min of meer zelf koning geworden. Als we nog “buigen” dan is dat enkel voor binnenwereldse waarden. In een opiniestuk van de blogger Paul Delfgauw (Van Goden en mensen) wordt erop gewezen dat het in onze dagen zelfs not done is om over God te theologiseren, nee, men debatteert slechts over religie, dat “iets is dat mensen doen”. Ja, ook de wetenschap (d.i. de religiewetenschap en de theologie) lijkt bezig God uit zijn eigen paradijs te verdrijven, zo stelt Delfgauw. Je mag niet meer gelovig denken over het geloof. Gods bestaan doet er niet meer zo toe. Het gaat er om wat wij van Hem vinden, los van wie Hij is. Het doet de vraag rijzen: Wie is Christus (nog) voor ons? Nemen we zijn woorden nog ter harte? Of relativeren ook wij zijn Boodschap? … en daarmee uiteindelijk onszelf? Moge de Heer ons daarvoor behoeden. God is immers dezelfde, gisteren, vandaag en morgen.

Pastoor C. Müller

Wees niet bang.

Jezus heeft er vaker over, over onze vrees en onze angsten. Ze tonen ons waar we om geven, wat we belangrijk (kostbaar) vinden. Maar het zegt ook iets over de wijze waarop we omgaan met verlies. Mensen menen dikwijls dat ze dit of dat verlies (offer) niet aankunnen, maar als het moment daar is (aangebroken), blijken ze toch vaak over meer innerlijke (veer)kracht te beschikken dan gedacht. In het Evangelie van de op een na laatste (33e) zondag van het kerkelijk jaar schetst Jezus ons een visioen, waarin Hij spreekt over het einde der aarde. Hij spreekt over verschrikkingen en algehele verwarring. Maar het is niet het (absolute) einde. God is immers eeuwig. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden, zo zegt Jezus - zullen niet voorbijgaan. Aan die belofte mogen wij ons vasthouden. Daarom: Wees niet bang, ook als alles wegvalt. Christus windt er geen doekjes om. Hij kent onze angsten en beseft als geen ander hoezeer zij ons verlammen, beperken en doen terugdeinzen. De Bijbel wil ook hier ons door de sluis van onze existentiële angst heen voeren. Dat wij leren vertrouwen, ook als alle houvast hier verkruimelt. Ja, durf uw angsten onder ogen te zien. Eeuwig leven vindt men pas als wij onszelf helemaal durven over te geven, met alle angst die daarbij hoort. Zoals Jezus dat deed in de Hof van Olijven. Hij gaf zijn Leven, opdat wij zouden leven. Het is in en door Hem dat wij onze angsten mogen onderscheiden én … overwinnen.

 

Pastoor C. Müller

Een ‘arme’ weduwe?

In de lezingen welke horen bij zondag 8 november 2015 gaat het over twee arme weduwen. In de eerste lezing is de weduwe bereid haar allerlaatste maaltijd af te geven aan Elia, de profeet, die met zijn vraag haar geloof op de proef stelt. In het Evangelie zit Jezus in de tempel en wijst op een weduwe bij de offerkist die daarin twee penningen doet. Het was alles wat zij bezat, terwijl de anderen slechts iets gaven van hun overvloed, zo vertelt Jezus ook ons. De vraag ligt voor de hand: waar gaat het hier om? Om de grootte van de gave, ook al is deze relatief gezien klein, of om de houding waarmee het weinige dan wel vele gegeven wordt? Blijkbaar gaat het hier niet om de grootte van de gift als zodanig, maar wel om de mate van liefde en het vertrouwen dat we in God stellen. In zoverre zegt de grootte van eenieders gift niet zozeer iets over iemands financiële rijkdom dan wel armoede, maar met name iets over onze innerlijke rijkdom, dan wel armoede, over ons hart, onze liefde, ons geloof en ons vertrouwen. Dan blijkt het weinige van de weduwe bij de offerkist veel groter dan de giften van anderen. Ze zijn welbeschouwd veel gieriger in geestelijke zin dan de vrijgevige, arme weduwe. Beide lezingen doen een beroep op ons om na te denken over de eigen vrijgevigheid in immateriële en materiële zin, over mijn vertrouwen, over mijn geloof. Misschien blijken dan ook wij veel ‘armer’ dan de ‘arme’ weduwe - rijk in Jezus ogen. Van belang is te zien hoezeer ook ons handelen (dan wel onze nalatigheid) dikwijls een indicatie is voor de mate waarin we echt gelovig zijn.

Pastoor C. Müller