Artikel Andreasklokje – week 6 – 2016 (zondag 14 febr)

Vasten

Na Carnaval begint de zgn. vastentijd, een periode van veertig dagen, ons gegeven om ons voor te bereiden op het grote feest van Pasen. In onze tijd van overvloed denkt menigeen daar ongetwijfeld zo het zijne over. Minder eten, het is goed op zijn tijd, maar “moet” dat nu? Vasten nu heeft een bredere betekenis. Het gaat welbeschouwd slechts gedeeltelijk om ons lichaam en haar behoeften. Vasten heeft allereerst te maken met onze geest, met onze ziel, maar omdat lichaam en geest bij elkaar horen, is ook het lichamelijk aspect hier van belang. Je ziet het onder meer in de relatie tussen ons eten en ons gevoel. We eten vaker meer dan ons lichaam nodig heeft (met name suiker). Eten, zo blijkt in de praktijk, omvat veel meer dan het opslaan van brandstof. Zo kan eten bijv. ook troost verschaffen. Welnu, door te vasten, komt dikwijls dat bloot te liggen, wat we verdringen, dan wel verzachten door dingen te kopen, of te eten.
Voedsel, maar ook drank en spullen werken als zodanig verstrooiend. Ze leiden af van wat er eigenlijk toe doet. Welnu, door te vasten komt onze geestelijke dimensie weer aan bod. Vasten betekent derhalve niet zozeer ergens van afzien (dit is slechts een opstap), maar duidt veeleer op dat proces waardoor we weer voeling krijgen met ons diepergelegen ik. Door te vasten en te bidden (dat hoort evenzeer bij het vasten als het minderen) leren we onszelf beter te verstaan in onze relatie tot God, de naasten én onszelf. Vasten omvat meer dan enkel een “offeren” (dingen loslaten), het is veeleer het komen tot een andere rangschikking. Door te vasten krijgt dat, wat voor mensen vaak verborgen is (maar hen ondertussen wel vaak “bepaalt”), weer die aandacht die het behoort te hebben. Vasten heeft betrekking op onze geestelijke behoeften, die van hart en ziel. Zoals het lichaam voedsel behoeft, zo behoeven immers ook onze ziel en ons hart geestelijk voedsel. Vasten biedt ons de kans om onszelf, en ook God beter te leren kennen. Vasten veronderstelt een innerlijk rijpingsproces, dat ons rijker maakt, alsook rustiger, en meer in balans. Door te vasten beteken je niet alleen iets voor anderen (door bijv. geld en TV-tijd uit te sparen en dat te geven aan anderen), maar doe je welbeschouwd ook recht aan jezelf en aan God, wiens schepselen we zijn. Vasten maakt ons zozeer niet “armer” en/of dunner, maar vooral geestelijk rijker.

Pastoor C. Müller

week 5 – 2016

Vaar naar het diepe

In het Evangelie van zondag 7 februari gebiedt Jezus Simon de visser naar het diepe te varen en zijn netten uit te gooien. Simon stribbelt eerst tegen: “We hebben reeds de hele nacht gevist zonder iets te vangen. Maar op uw woord zal ik de netten uitgooien.” Het antwoord van Simon is opmerkelijk. Het drukt zowel zijn ongeloof uit (hij verwachtte niets meer te vangen), alsook zijn bereidheid het toch maar te doen. Die gehoorzaamheid blijkt vruchtbaar. Ze vingen zoveel vissen dat hun boten dreigden te zinken. Simon beseft dat hij zijn verwachtingen moet bijstellen. Het gebeuren leert hem dat hij klein is en zondig, dat hij op Jezus moet leren vertrouwen en dat geen enkele opdracht van Godswege onzinnig is. Nee, als volgeling mag hij er op vertrouwen dat de Heer ook die zee kent waarin wij ons bevinden, hoe diep ook. Menselijke verwachtingen kunnen ons daarbij echter parten spelen. Juist dan is het zaak ons te richten op Gods Woord, op zijn beloften. Van ons vraagt de Heer met name geloof en de bereidheid Hem te volgen. Door zo te handelen zullen ook wij gaandeweg ontdekken dat God Heer en Meester is over het leven, zoals eens de leerlingen in de boot na een storm, toen zij verzuchtten: “Wie is Hij toch, dat zelfs water en wind Hem gehoorzamen?”

Pastoor C. Müller

Week 4

Over de liefde

In het weekend van 30-31 januari 2016 gaat het epistel (2e lezing) over de liefde. De betreffende tekst van Paulus uit de eerste brief aan de christenen van Korinthië (12,31-13,13) wordt vaker gekozen voor een huwelijksmis. Als ik de liefde niet heb, zo staat er, dan baat het mij niets. Al het andere vermag indruk te maken, als ik de liefde niet heb, dan ben ik slechts een schelle cimbaal. Het is een tekst die ons prikkelt na te denken over onze betekenis voor de ander. Vaak menen we dat het vooral gaat om ons handelen, wat we doen voor de ander. Dat alles is natuurlijk belangrijk, maar ons handelen is dikwijls vermengd met onze eigenliefde. Daarom - wat is de achterliggende drijfveer? Doen we het omwille van onszelf én de ander (bijv. om te imponeren, of omdat we ergens goed in zijn), of helemaal vóór de ander, omwille van de ander, onbaatzuchtig? Mensen voelen dat immers vaak aan, ook al zeggen ze daar niets over. Hiermee wordt niet gezegd het goede dan maar achterwege te laten (als het schort aan een schragende liefde), maar wél om te zien waarom we de dingen doen zoals we ze doen. Soms kunnen mensen het heel goed bedoelen, maar doen ze iets wat de ander niet wenst, dan wel nodig heeft. Ware liefde is bereid tot dienen, laat ons handelen niet bepaald worden door wat anderen er van kunnen vinden, maar zoekt steeds het welzijn van de ander. Paulus doelt hier op de onvoorwaardelijke liefde, die ook dan stand houdt als wederliefde uitblijft, als de ander ontrouw blijkt, of als de ander opgeeft. Ware liefde, zo zegt Paulus, zoekt zichzelf niet. Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles duldt zij. Ware liefde vergaat nimmer. Mensen vinden dat meestal te veel gevraagd, niet van deze wereld. Welnu, we kunnen het maar volbrengen door onze liefde te enten op die van God, ons door Hem te laten voeden. Onze liefde behoeft Zijn Liefde, om waarlijk te kunnen beminnen.

Pastoor C. Müller

Week 2 – 2016

H. Vormsel

Dit schooljaar vinden binnen ons cluster 2 Vormselvieringen plaats, te weten in Velden (15 jan.) en Arcen (29 jan.). In beide vieringen wordt het H. Vormsel toegediend door vicaris-generaal Mgr. H. Schnackers (namens onze bisschop). Het doopsel wordt voltooid door 'het zegel van de heilige Geest, de gave Gods'. Dat noemen we het Vormsel.
Met dit 3e sacrament kun je zelf bevestigen dat je bij de kerk wilt horen. De heilige Geest bevestigt jou ook doorheen het Vormsel. Hij geeft je kracht om te blijven geloven, om de kerk trouw te blijven, en de Blijde Boodschap door te geven aan alle mensen.
De materie van het sacrament betreft het Chrisma, dat bestaat uit Olie, dat de reinheid van het geweten voorstelt en uit balsem, die de geur van de goede, betrouwbare naam met zich draagt. De olie wordt door de Bisschop gewijd tijdens de zogenaamde Chrismamis, die in het Bisdom gevierd wordt op Witte Donderdag, wanneer de Kerk de instelling van het Priesterschap viert. De vorm van het Sacrament is: "Ik teken je met het teken van het Kruis en sterke je met de Olie van het heil in de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest". De werking van het Sacrament bestaat erin dat de gelovige de heilige Geest tot hulp gegeven wordt, zoals ook aan de Apostelen tijdens het Pinksterfeest, waardoor de christen moedig de naam van Christus belijdt. Daarom wordt de vormeling ook een kruisteken gegeven op de kruin, waar zich (naar aloude opvattingen) de schaamte bevindt, opdat de christen, zonder schaamte, de Naam van Christus in de wereld verspreidt.

Pastoor C. Müller

Week 1 (2016)

Doop van de Heer

Op de zondag na Driekoningen (Openbaring des Heren), vieren we als Kerk het Feest van de Doop van de Heer (10 januari). Het was de eerste daad van Jezus’ openbaar leven. Ongeveer dertig jaar oud, liet Jezus zich te midden van vele mensen door Johannes dopen. “Op hetzelfde ogenblik dat Hij uit het water opsteeg, zag Hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen. En er kwam een stem uit de hemel: “Gij zijt mijn Zoon, mijn veelgeliefde; in U heb Ik welbehagen” (Mc.1,10-11). Deze woorden “Gij zijt mijn Zoon, mijn veelgeliefde” openbaren ons wat het eeuwige leven is: een kinderlijke band met God hebben, zoals Jezus ons dat heeft voorgeleefd en voorhoudt.
De boodschap moge duidelijk zijn: Laat je dopen! Door het doopsel worden we kinderen van God en kunnen we als Christenen leven. Het doopsel is welbeschouwd allereerst een genadegave, net als ons leven überhaupt. Dat in onze tijd jonge ouders het geloof (incl. het doopsel) zien als louter een keuze, is dan ook een wijdverbreid misverstand.
Het past bij onze tijdsgeest, welke ons voorhoudt: “Maak het zelf maar uit!” Vaak zeggen doopouders het enigszins dubbel: “We laten ons zoontje dopen, maar als het later kiest voor iets anders, dan is dat zijn keuze”. (Alsof het geloof gelijk een jas is, die men desgewenst aan dan wel uit kan doen). Door zo te spreken, relativeert men in feite de eigen keuze en geven ouders vooral iets weer van hun eigen ambivalentie in deze. Door het doopsel wordt men kind van God. Men kan dat later niet ongedaan maken (“ontdopen” is niet mogelijk), net zo min als iemand kan ontkennen dat hij vader is, terwijl hij een zoon op de wereld heeft gezet, die als 2 druppels water op hem lijkt. Door het doopsel ontvangt de dopeling een eeuwigdurend merkteken; we kunnen dat niet uitwissen. Mensen kunnen natuurlijk nadien God uit het oog verliezen en menen dat Hij niet bestaat; voor God blijven wij zijn kinderen. De parabel van de verloren zoon illustreert dat heel treffend. Ja, al laten mensen God los, God doet dat niet. Naar Hem mogen we steeds terugkeren, juist en vooral in dit Jaar van Gods Barmhartigheid. Je kind laten dopen veronderstelt dat de ouders zich verantwoordelijk weten en hun kinderen in gelovig opzicht van alles meegeven, opdat ze later de juiste keuzes kunnen maken. Een dubbele grondhouding in deze, vertroebelt echter het gekozen pad voor een goede morele en gelovige opvoeding. Zonder (zelf)kennis vaart niemand wel. Het is allereerst aan de ouders om hun kinderen ook in deze wegwijs te maken en e.e.a. niet over te laten aan een verre en vrijblijvende toekomst. Kinderen verwachten van ouders, dat zij hen het beste geven in de gegeven omstandigheden. Zonder de nodige (geloofs)kennis en een goed voorbeeld, is de kans groot dat de kleintjes van nu, later kompas-loos zijn (omdat zij in moreel en gelovig opzicht ondervoed zijn gebleven). Zonde toch, temeer daar God zoveel in ons heeft gelegd, dat verlangt tot wasdom te komen.

Pastoor C. Müller

Ierse Kerst- en nieuwjaarswens

Niet dat geen enkele wolk van smart over jou moge komen,
Niet dat je toekomstig leven een lang pad van rozen zij,
Niet dat je nooit een traan van spijt zou vergieten,
Niet dat je nooit pijn zou voelen.
Nee, dat alles wens ik je niet. Want tranen zuiveren het hart, smart adelt het gemoed, pijn en nood brengen ons dichter bij de Moeder van het kind van Bethlehem en verzekeren ons de troost van haar glimlach.
Mijn wens voor jou is dat je voor altijd de gouden herinnering bewaren mag van elke rijke dag die je zult beleven. Dat je dapper mag zijn in het uur van beproeving, wanneer het kruis op je schouders wordt gelegd. Wanneer de berg die je moet beklimmen heel hoog schijnt en de licht-bakens van hoop zeer ver. Dat iedere gave die God je schonk, mag groeien met de jaren. En de harten van hen, die je lief hebt met hun vreugde vervult. Dat je in ieder uur een vriend mag hebben die je vriendschap waard is, die je vertrouwend de hand kunt reiken wanneer het moeilijk is, met wie je stortvloeden kunt trotseren en de toppen kunt bereiken. En dat in ieder uur van vreugde en leed de vrede brengende glimlach van het Kerstkind met jou mag zijn en je dicht bij God mag blijven.

Pastoor C. Müller

Kerstdagen

In de liturgie van de kerk vieren we het geboortefeest van onze Redder en Heer acht dagen lang en wel tijdens het Kerstoctaaf, dat eindigt met/op zondag 1 januari (Hoogfeest van de H. Maria, Moeder van God). De kersttijd, die vroeger doorliep tot 2 februari - Maria Lichtmis - wordt sedert een aantal jaren afgesloten met het Feest van de Doop van de Heer (2e zondag van januari), waarna in de meeste kerken de kerststal weer wordt opgeborgen.
Graag wil ik mede namens het kerkbestuur graag hier alle vrijwillig(st)ers danken die voor en met de kerstdagen in de drie kerken veel werk hebben verzet, onder meer de mensen die de eigen kerk hebben gepoetst (inclusief het koperwerk), hen die voor de bloemen en de versiering hebben gezorgd, hen die aan de (gezins)vieringen hebben bijgedragen, als koorlid, muzikant, lector, collectant, koster, misdienaar of acoliet, of als kind in een kerstspel. Voorts hen die voor de kerstbomen en de kerststal hebben gezorgd, alsook hen die op de achtergrond hand- en spandiensten hebben verricht. U allen heel veel dank daarvoor!

Pastoor C. Müller