“Maak dat ik zien kan”                                                                                 

Als Jezus weer uit Jericho weggaat (aldus het Evangelie van zondag 24 oktober), hoort Hij een blinde bedelaar luidkeels roepen: “Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!”

Velen snauwden hem toe te zwijgen. Bartimeus begon evenwel nog harder te roepen. Jezus roept daarop de blinde. De omstanders (die hem eerst zeiden te zwijgen) merken nu op: “Heb goede moed, sta op, Hij roept u”. Eenmaal bij Jezus, zegt hij: “Rabboeni, maak dat ik zien kan”. Jezus zegt daarop: “Ga, uw geloof heeft u genezen”. Bartimeus kon terstond zien en sloot zich bij Jezus aan.

Wat opvalt is dat in dit bijbelfragment het werkwoord “roepen” vaker voorkomt. Het verwijst zowel naar de fysieke afstand tussen Jezus en de blinde, alsook naar de ernst van zijn nood. Opmerkelijk is dat de menigte hem eerst afsnauwt - hij moet zwijgen. De blinde ziet evenwel verder, met de ogen van zijn geloof, en laat zich niet van de wijs brengen. Dat snauwen van de omstanders werkt zelfs averechts, Bartimeus begint nog harder te roepen. Jezus laat hem daarop bij Zich roepen. De omstanders helpen opeens de man, die ze eerst niet zagen zitten, Ja, heb goede moed! Eenmaal bij Jezus vindt er genezing plaats. Jezus verduidelijkt: “Uw geloof heeft u genezen”.

Het gebeuren mag ons aan het denken zeggen. Hoe kijken wij en wat zien we wél en niet, indachtig de menigte, indachtig de blinde? Zien met de ogen van het geloof betreft een “nieuwe” vorm van waarnemen. De blinde ”zag” meer dan de omstanders die konden zien, maar ziende toch “blind” waren. Onwillekeurig doet het je denken aan dat tafereel waar de ongelovige Thomas voor het eerst de verrezen Heer ontmoet. Toen zei Jezus tot hem: 'Omdat ge Mij gezien hebt gelooft ge? Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.' (Johannes 20,29).

                                                                                                                       Pastoor C. Müller