Vastentijd                                                                                                     

Komende zondag vieren we weer de eerste zondag van de Vastentijd, als voorbereiding op het belangrijkste feest in onze kerk: Pasen. Met dat feest staan we stil bij de verrijzenis des Heren. Het Evangelie van de eerste zondag van de Vastentijd vertelt ons hoe Jezus door de Geest gedreven, Zich veertig dagen ophield in de woestijn, alwaar Hij door de duivel op de proef werd gesteld. In de joodse en christelijke  traditie heeft het getal veertig een speciale betekenis.

In de Bijbel komt het getal 40 veelvuldig voor; veertig heeft betrekking op voorbereiding en verwachting. Maar ook op vasten en boetedoening of zuivering (‘quarantaine’). De zondvloed duurde veertig dagen en nachten (Genesis 7:12) en Noach wachtte 40 dagen voordat hij de ark opende (Genesis 8:6). Mozes verbleef veertig dagen en nachten op de Sinaï om er de Tien geboden te ontvangen. De Israëlieten trokken veertig jaar onder leiding van Mozes door de Sinaïwoestijn. Goliath daagde de Israëlieten veertig dagen lang uit voordat David hem ging bevechten (1 Samuël 17:16). Elia ging door de kracht van de spijs die de engel hem gaf 40 dagen en nachten tot aan de berg Gods, Horeb (1 Koningen 19). Jona preekte in Ninive dat de stad over veertig dagen verwoest zou worden (Jona 3:4). Na zijn doop vastte Jezus veertig dagen in de woestijn en werd toen door de duivel beproefd. Na zijn opstanding verscheen Jezus veertig dagen aan zijn discipelen alvorens naar de hemel op te varen (Handelingen 1:3). De periode van het paasfeest  tot Hemelvaartsdag duurt daarom veertig dagen.

In de prefaties welke horen bij liturgie van de H. Mis tijdens de Vastentijd staan diverse  passages, welke het karakter van de Vastentijd goed typeren:

Gij gunt uw gelovigen de vreugde jaarlijks met een zuiver hart naar het paasfeest toe te gaan: dit is een tijd van meer toeleg op het bidden, van grotere aandacht voor de liefde tot de naaste, een tijd van grotere trouw aan de sacramenten waarin wij zijn herboren (Doopsel, Eucharistie en Biecht). Zo groeien wij tot de volheid der genade die Gij uw kinderen hebt toegezegd. (prefatie I)

Gij schenkt ons een heilzame tijd om ons hart weer zuiver te maken: vrij van zelfzucht en zonde zullen wij het vergankelijke zó gebruiken, dat ons hart gericht blijft op het eeuwige. (prefatie II)

Gij hebt gewild dat wij U dank betuigen door onszelf te versterven. Zo behoedt Gij ons, zondaars, voor overmoed en eigenwaan en doordat wij het voedsel broederlijk delen met hen die honger hebben, maakt Gij ons tot navolgers van uw mildheid. (prefatie III)

Als wij vasten weerhoudt Gij ons van het kwaad en richt Gij onze geest op U, maakt Gij ons tot deugdzame mensen en schenkt Gij ons de overwinning door Christus onze Heer. (prefatie IV)

Pastoor C. Müller