Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?
Bovenstaande vraag staat in die parabel, welke wordt voorgelezen op zondag 20 sept. 2020, waarin een landeigenaar ingaat op een vraag van een dagloner, die meent recht op meer te hebben (dan wat vooraf was overeengekomen), dan diegene die slechts één uur heeft gewerkt, terwijl hijzelf de hele dag heeft gewerkt.
God nu geeft ieder het zijne. Daarbij is het goed nimmer te vergelijken, want ieder mens is uniek. God alleen kent ieder van ons ten volle en geeft ieder het zijne, naar Zijn goeddunken. Pas in de hemel zullen we zien waartoe alles heeft gediend en hoe elk offer, elke daad van liefde zijn betekenis heeft. Staar u dus niet blind op enkel deze werkelijkheid. Wij zien immers heel veel niet, terwijl God dat wel ziet. Het oordeel is aan de Heer, die als geen ander weet wie we zijn, hebben gedaan, dan wel hebben nagelaten. Ogenschijnlijk zijn er heel wat minderbedeelden op aarde. Voor God evenwel zijn ze vaak van grotere betekenis, dan hen die zogenaamd veel hebben, en menen zichzelf te kunnen redden. De apostel Paulus zegt in zijn eerste brief aan de Korintiërs (1,26-29) er het volgende over: “Denk eens aan uw roeping, broeders en zusters. Onder u waren er niet veel die naar menselijke maatstaf wijs waren, niet veel die machtig waren, niet veel die van voorname afkomst waren. Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wel iets is teniet te doen. Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen.”

Pastoor C. Müller