“Gaat dan, maar neemt geen beurs mee, geen reiszak… .”

In het Evangelie dat wordt gelezen in het weekend van 6-7 juli, spreekt de Heer tot zijn 72 leerlingen (14e zondag door het jaar C). Alvorens hen 2 aan 2 uit te zenden, houdt Hij hen het volgende voor: “Zie, Ik zend u als lammeren onder de wolven; neemt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoeisel en groet niemand onderweg.” Dat lijkt een vreemde aansporing. Edoch, van de leerlingen wordt in feite verlangd dat ze bereid zijn alles van God te verwachten en niet bezig te zijn met zaken, die hen kunnen afleiden van hun zending, hun opdracht.
Menselijke zorgen werken dikwijls als verstrooiingen. Voor de heiligen waren zij veelal een aansporing én reden om de Heer te danken (omdat ze veelal de diepere betekenis van hun noden zagen in het licht van Gods heilsplan), evenwel voor ons - gewone mensen - zijn zorgen veelal een beproeving, een last. Het is in feite paradoxaal, waar bezittingen mensen kunnen helpen goed te doen, daar vormt ons bezit vaak een begrenzing, voor zover wij er aan vastzitten. Daarom is het goed zaken op te ruimen, ze los te laten. Door op te ruimen, leer je ze te relativeren. Door spullen weg te doen, ontdekken mensen dikwijls weer dat wat allengs is ondergesneeuwd, te weten de waarde van immateriële zaken. Het is immers niet de materiële rijkdom die het hart van een mens vervult, maar de immateriële - God incluis.

Pastoor C. Müller