“Ik zie, ik zie wat jij niet ziet …”                                                                   

Wie van ons kent niet uit zijn jeugdjaren het spelletje waarbij een voorwerp moet worden geraden, dat een van de spelers in gedachten heeft en dat voor alle spelers “zichtbaar” aanwezig is ...

Ik moest er aan denken toen ik het Evangelie las dat in de kerk a.s. zondag wordt gelezen (25 september), te weten Lucas, 16, 19-31. Daarin vertelt Jezus een gelijkenis. Het verhaal gaat over een rijk man en een arme bedelaar (Lazarus). Beiden komen te overlijden, de rijke krijgt een eervolle begrafenis, maar moet daarna boeten voor zijn leven hier op aarde. Lazarus wacht na zijn dood een beter leven. De rijke ondergaat folteringen in de onderwereld en vraagt aan Abraham of hij Lazarus niet naar zijn 5 broers kan sturen om hen te waarschuwen, opdat zij niet eveneens in die plaats van pijniging terechtkomen.

Het verhaal mag ons aan het denken zetten. Velen zullen pas na hun dood zien wat hun leven hier op aarde waard was/is in het licht van Gods Glorie. Zaak is het ons hier en nu te bezinnen, tijdens dit leven, indachtig de man die ik onlangs sprak in een biechthokje in Medjugorje. Het bleek een techneut, die voorheen enkel vertrouwde op zijn ratio, op zijn zgn. “gezonde” verstand. Van godsdienst moest hij voorheen weinig hebben, ofschoon zijn inmiddels overleden vrouw wel gelovig was. Alles veranderde evenwel enkele maanden geleden toen hij op de kruisberg in Medjugorje een Godservaring opdeed. In tranen bracht hij daarvan verslag uit. Hij beseft nu hoe “blind” hij al die jaren is geweest. En hoe hij doorheen zijn kille rationele houding zijn vrouw en kinderen tekort heeft gedaan. De man mocht dankzij Gods erbarmen hier al iets ervaren van de oneindige grootheid van God, in tegenstelling tot de rijke man uit het Evangelie, die enkel oog had voor zijn eigen leven en niet verder keek. Weet dan dat elk mensenleven hier ertoe doet, het is oneindig kostbaar in het licht van de eeuwigheid.

                                                                                                                        Pastoor C. Müller

Going home …                                                                                            

Onze taal kent heel wat gevleugelde uitdrukkingen. In Amerika zeggen ze bijvoorbeeld: “Home-made”. Het verwijst naar het goede van thuis; voor je familie, je gezin doet men zijn best. In het recept zitten niet alleen goede ingrediënten, het is vooral bereid met liefde en daardoor veel meer dan enkel “zalig eten”.

In het Evangelie van zondag 11 september horen we het verhaal van de zoon, die thuis keert na een duister leven ver van huis. Daar heeft de zoon zichzelf verloren in een losbandig leven. Nadat hij tot inkeer is gekomen, keert hij terug naar zijn vader, naar huis. De zoon is verrast door het hartelijke welkom van zijn vader. Hij beseft weer hoe goed het is thuis te komen.

De parabel vertelt ons dat we altijd kunnen terugkeren naar “huis”, naar God, die ons geschapen heeft. Net als in de parabel kijkt God steeds om naar ons. Ja, hoe ver we van God ook verwijderd mochten zijn, bij Hem kun je altijd terugkeren. Het gaat hier overigens niet zozeer om de verloren zoon, maar vooral om de teruggevonden vader. Weet dan dat God ieder van ons kent en uitziet naar elk kind dat terugkeert naar God onzer aller Vader.

             

                                                                                                                        Pastoor C. Müller

Leerling zijn …                                                                                             

In het Evangelie van zondag 4 september (23e zondag door het jaar) spreekt Jezus over “leerling zijn”. Het woord “leerling” veronderstelt “leren”, dat men slechts gaandeweg kan verstaan; het betreft een proces. Kennis enerzijds, maar ook het metterdaad navolgen, vormen aspecten die horen bij het leerling zijn. Jezus nu heeft het onder meer over onze houding alsook onze bereidheid Hem te volgen. Dat betekent heel concreet dat, als we Hem volgen, niet meer onze eigen wil laten prevaleren, maar die van God. Omdat Jezus is gekomen om ons te verlossen, hoort het kruis niet enkel bij Zijn leven hier, maar ook bij ons leven als christen. Daarom zegt Jezus ook: “Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt, kan hij mijn leerling niet zijn”.

Omdat we allemaal uniek zijn, is eenieders kruis ook uniek. Je “eigen kruis” kun je dan ook niet ruilen met dat van een ander (als dit überhaupt zou kunnen!), omdat met dat ene kruis ook steeds bijzondere genaden verbonden zijn (persoonsgebonden als ze zijn). Ieder kruis heeft als zodanig een speciale betekenis, Pas in de hemel zullen we dat ten volle verstaan. Feit is dat “ieder kruis” een bepaalde waarde heeft, anders zou Jezus dit niet hebben gezegd. Het is door het eigen kruis aan te nemen, dat we ons eigen aandeel ter harte nemen en zo meewerken met Gods heilsplan. Zoals Jezus door Zijn Kruis de wereld heeft verlost, zo kunnen wij door ons kruis aan te nemen en te dragen, anderen helpen. Bijzonder zijn in dit verband de getuigenissen uit de levens der heiligen, waarin Jezus hen gevraagd heeft een bepaald offer te dragen omwille van het behoud van een specifieke ziel. In het grote heilsplan van God is ieder gebed en offer, alsook elk kruis (in overgave gedragen) van groot belang voor het zielenheil van anderen. 

 Pastoor C. Müller

“Al wie zichzelf verheft …”                                                                           

In het Evangelie van zondag 28 augustus (22e zondag door het jaar C) spreekt Jezus de beroemde woorden uit: “Want al wie zichzelf verheft, zal vernederd, en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden.” (Lucas 14) Beschouwt men de woorden van de Heer nader, dan kan men ze deels beamen. Ja, wie heeft geen hekel aan iemand die zichzelf het einde vindt en dat telkens uitdraagt? De 2e passage valt menigeen echter zwaar. Je vernederen, dat zijn we niet gewoon. Een ruzie bijleggen, dat vergt de bereidheid jezelf klein te maken omwille van een groter goed; het herstel van een oude vriendschap. Sorry zeggen blijkt in de praktijk evenwel niet zo gemakkelijk, indachtig een oude hit van Elton John: “Sorry seems to be the hardest word”.

Wanneer mensen het niet kunnen (of willen?) - sorry zeggen - dan dragen ze dikwijls de last mee van een onverwerkte, onverzoenlijke ruzie. Verzoening kan heel wat vergen, maar “kost” een ruzie die voortsleept uiteindelijk niet veel meer? Wrok gelijkt op gestolde lava; ze verduistert het hart van de mens. Daarom spoort Jezus ons aan steeds te vergeven. Een samenleving kan maar voortbestaan, als we bereid zijn te vergeven, telkens weer. Het is door bescheiden, eenvoudig en nederig te zijn, dat relaties ten goede keren en mensen groeien in liefde, begrip en … zelfkennis.   

Pastoor C. Müller

“Spant u tot het uiterste in.” (Lucas 13,24)                                      

Op zijn reis naar Jeruzalem ontmoet Jezus heel wat mensen. Een van hem stelt de volgende vraag: “Heer, zijn het er weinig die gered worden?” Jezus zegt noch ja, noch noemt Hij een percentage. Hij wijst echter op eenieders eigen verantwoordelijkheid: “Spant u tot het uiterste in”. Het gaat er om dat wij onze best doen, meewerken met Gods genade. Elders staat dat we moeten woekeren met onze talenten. Ja, hoeveel kansen biedt God ons niet? Zien we dat nog wel? We beseffen wellicht te weinig dat ieder moment kostbaar is, menen vaak dat we hier nog alle tijd hebben. Daardoor gaan er heel wat kostbare momenten verloren, en wellicht ook anderen, voor wie we iets konden doen. Ja, stoppen niet veel christenen hun licht onder de korenmaat, indachtig de volgende Evangelie-tekst: “Gij zijt het zout der aarde. Maar als het zout zijn kracht verliest, waar mee zal men dan zouten? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden. Gij zijt het licht der wereld. Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt! Men steekt toch ook niet een lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten, maar men plaatst ze op de standaard, zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn. Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is.” (Matteüs 5:13-16).

 Pastoor C. Müller

Verdeeldheid (Lucas 12,49-53)                                                                   

In het Evangelie van de 20e zondag door het jaar (14 augustus) spreekt Jezus over het contrast tussen hen die bereid zijn Hem te volgen en hen die dat niet wensen / willen.

Zoals alle profetische boodschappen ontlokt het Woord van de Heer een veelheid aan reacties. Welbeschouwd is Jezus niet gekomen om verdeeldheid te zaaien. Maar Hij weet dat Zijn boodschap niet bij iedereen instemming zal vinden. Jezus evenwel verlangt naar vrede, zijn geschenk aan al zijn volgelingen: ‘Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u.‘ (Johannes 14: 27). Maar het is een andere vrede, dan welke onze wereld biedt (die vaak een schijnvrede betreft). Zijn woord: “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld” (Joh. 18,36) vermag dit te illustreren.

In de 2e lezing wijst de apostel Paulus ons er terecht op dat navolging van Christus heel wat kan kosten, “mede vanwege de tegenwerking van zondaars”. Weet dan de strijd tegen de zonde (van zowel jezelf als die van anderen) ons nog geen bloed heeft gekost. Het is aan christenen om niet de moed op te geven, noch uit te vallen, aldus Paulus. Juist nu - zou ik daaraan willen toevoegen. We leven immers in een turbulente wereld, waarin vele “zekerheden” steeds meer lijken te verdampen.

                       

   Pastoor C. Müller

Wat is het geloof?                                                                                        

Die vraag stelt de apostel Paulus aan de orde in de 2e lezing, welke wordt gelezen op zondag 7 augustus (Hebr. 11). Hijzelf geeft daarop ook antwoord: “Het geloof is een vaste grond van wat wij hopen, het overtuigt ons van de werkelijkheid van onzichtbare dingen”.

Geloven is blijkbaar niet zozeer geloven in zichtbare dingen (vandaar dat er vaak misverstanden bestaan over de vraag wat geloven nu behelst), maar vooral in de werkelijkheid van onzichtbare dingen. Ja, onze werkelijkheid omvat niet enkel dat wat zichtbaar is, dat te meten is, maar ook dat wat onzichtbaar is. Dat geldt deels ook als het gaat over liefde, bij uitstek iets geestelijks. Als iemand van een ander houdt, dan kun je dat soms duidelijk zien/waarnemen, maar de mate waarin de een de ander liefheeft, blijft een geheim, blijft deels “verborgen”. Liefde en geloof, maar ook zoiets als hoop horen bij de mens, bij uitstek een geestelijk wezen. Wanneer mensen huwen voor de kerk, dan zeggen ze ‘ja’ tegenover elkaar, tegenover God en ten overstaan van familie en vrienden, ofschoon man en vrouw hun beider toekomst niet kennen. Maar bruid en bruidegom geloven dat zij door hun liefde stand zullen houden. Ja, wie we zijn, heeft alles te maken met ons geloof, met ons vermogen tot liefhebben en met onze toewijding.

                                                                                                                      Pastoor C. Müller