“Ik ben het brood des levens”                                                                      

In het Evangelie van de 18e zondag door het jaar (1 aug.) zegt Jezus onder meer: “Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst krijgen”.

Welbeschouwd staat er dat wij in Christus de gehele vervulling van onze diepere verlangens vinden. Wij zijn als mensen door God geschapen om te beminnen en om liefde te ontvangen. Honger en dorst verwijzen naar dit verlangen, naar een liefde die onbegrensd is. Daarom zal er geen honger meer zijn, noch dorst, als we God kennen. Die kennis nu van de liefde van Christus gaat elk menselijk begrip te boven. Waar vinden we een taal om deze liefde te beschrijven? Zij is nergens mee te vergelijken. Zij is zo grenzeloos, dat alle woorden die haar proberen te beschrijven, slechts de oppervlakte raken, gelijk een zwaluw, die over het water scheert en er niet in afdaalt. Er ligt onder deze oppervlakte een onmetelijke diepte. Het is de diepte van een afgrond die niet te peilen is. Zij is onmeetbaar. Derhalve, denk nooit te gering over Gods liefde, want je kunt haar in alle eeuwigheid niet bevatten; oneindig als ze is.

                                                                                      

    Pastoor C. Müller

Eerste H. Communie                                                                        

Op zondag 18 juli vieren we in de kerk van Velden wederom de Eerste H. Communie. De 7 communicanten (thans in groep 5) zouden aan-vankelijk vorig schooljaar de Eerste H. Communie ontvangen. Corona gooide toen (en deels ook nu) roet in het eten. Met het oog op de vele beperkende maatregelen zullen de kinderen, die dit jaar in groep 4 zitten, pas volgend schooljaar de E.H. Communie doen (hopelijk dan samen met de kinderen die nu in groep 3 zitten en volgend jaar in groep 4) en wel op zondag 22 mei 2022. Het is en blijft voorlopig nog telkens passen en meten.

Het thema voor de Communieviering dit jaar luidt: Van harte samen. Jezus is Diegene die het grootste Hart heeft. Hij zoekt ieder van ons en wil dat wij, net als Hij, ons leven geven en wel door ons hart open te stellen en het te laten vullen met Zijn liefde. Jezus houdt niet op Zich steeds te geven. Moge het zo dan echt worden: Van harte samen.

 

Pastoor C. Müller

Jezus zond hen twee aan twee uit (Mc. 6,7)                                   

In het Evangelie van zondag 11 juli (15e zondag door het jaar) horen we hoe Jezus zijn leerlingen twee aan twee uitzond, om als getuigen rond te gaan. Wanneer twee getuigen over iets akkoord gingen, had hun getuigenis juridische draagkracht (Deuteronomium 19, 15; Matteüs 18, 16). Dat samen rondtrekken had echter ook een praktische en een spirituele kant. Zo kon de een de ander aanvullen; alsook voor (en met) de ander bidden, met name als deze sprak tot derden. Zo konden zij elkaar tot steun zijn en elkaar wederzijds helpen te groeien in geloof, mede door hun onderlinge uitwisseling. Roepingen nu, ze vullen elkaar vaak aan. Je ziet het met name in de kerk, waar gaven en talenten van Godswege aan mensen gegeven zijn ten bate van anderen, en niet zozeer voor de mens zelf. Iemands verantwoordelijkheid omvat in feite altijd ook de ander, die in gelovig opzicht altijd een ‘broeder’ of ‘zuster’ is. Daarom ook dat we in de kerk steeds bidden voor mensen elders, en niet enkel voor hen die we kennen. Die missionaire opdracht van de kerk geldt feitelijk iedere katholiek. Geloven heeft naast een verticale kant (eenieders lijn ‘naar boven’), altijd ook een horizontale kant (ze betreft onze relatie tot de naaste, dichtbij en veraf).

Het Evangelie mag ons aan het denken zetten. Ja, welke rol vervul ik? Zie ik in dit verband ook mijn ‘zending’ in deze wereld als christen? Of begrens ik mijn bestaan tot enkel de directe omgeving … Jezus nu wil dat we allen getuigen zijn. En ons geloof delen.

 

Pastoor C. Müller

 

Kracht wordt in zwakheid volkomen                                                

In de 2e lezing van de 14e zondag van het jaar (4 juli) spreekt de apostel Paulus in zijn brief Christenen van Korinte (12,7-10) over “een doorn in het vlees”. Tot 3 maal toe had hij de Heer aangeroepen om Hem er van te bevrijden. Maar God antwoordde hem: “Je hebt genoeg aan mijn genade. Kracht wordt juist in zwakheid volkomen.” Paulus meent dan ook: “Dus zal ik het liefst van alles roemen op mijn zwakheden. Dan zal de kracht van Christus in mij wonen. Daarom lijd ik om Christus’ wil gaarne zwakheid, smaad, nood, vervolging en benauwdheid. Want als ik zwak ben, dan ben ik sterk”.

Hoe anders denken de mensen van de wereld. Voor hen geldt: Wees sterk, kom voor jezelf op, laat anderen niet over je lopen, wees assertief.

Paulus leert ons dat het niet gaat om de mens en zijn natuurlijke krachten en vermogens, maar veeleer om de kwestie: Wat doen we met onze zwakheden, met onze fouten, met onze zonden, met onze verlegenheden? Moeten we ze maar wegdenken, dan wel negeren, of verdringen? Nee dus. Want juist dat doet de mens van zichzelf vervreemden. Nee, onze kwetsbaarheid betreft een schat, wiens waarde maar zichtbaar wordt als we haar toelaten en inbrengen in onze relatie met de Heer. Iets dergelijks geldt – denk ik – ook voor een huwelijk. Mensen zijn vaak op hun mooist als zij zich kwetsbaar durven te tonen, ook al lopen ze daardoor het risico dat anderen daar misschien misbruik van maken.

De apostel Paulus leert ons de eigen zwakheid aan te nemen. Ze vormen feitelijk de deur naar een diepere verstandhouding met Christus, die omwille van ons zwak is geworden en ze doorheen het kruis vruchtbaar heeft gemaakt door de volledige gave van Zichzelf. Op het kruis was Christus als de meest kwetsbare geheel overgegeven aan Zijn Vader. Het toont op een paradoxale wijze de grootte en diepte van Zijn liefde voor Zijn Vader als die voor ons.

     

    Pastoor C. Müller

 

 

Meisje, sta op                                                                                   

Het Evangelie van de 13e zondag door het jaar (27 juni) vertelt het verhaal van de opwekking van een meisje uit de dood -het dochtertje van Jaïrus, de overste van de synagoge. Jezus wordt door de vader geroepen, omdat het meisje ieder moment kan sterven. “Kom haar toch de handen opleggen, opdat ze mag genezen en leven!” Onderweg volgt een intermezzo. Gaandeweg geneest Jezus een vrouw die al jaren aan bloedvloeiing leed. Ze zei bij zichzelf: “Als ik slechts zijn kleren kan aanraken, zal ik genezen zijn”. Zo gebeurde het ook. Jezus merkte evenwel op dat er een kracht van Hem was uitgegaan, terwijl Hij omgeven was door velen. De vrouw trad naar voren en bekende Hem de hele waarheid. Jezus zei tot haar: “Dochter, uw geloof heeft u genezen. Ga in vrede en wees van uw kwaal verlost.”

Niet lang daarna blijkt het meisje overleden. Jezus hoorde het en zei tot de vader: “Wees niet bang, maar blijf geloven”. Eenmaal aangekomen, zag Jezus de mensen in rouw. Daarop zei Hij: “Waarom dit misbaar en geween? Het kind is niet gestorven maar slaapt.” De omstanders lachten Hem uit. Alleen met de ouders en enkele leerlingen, nam Jezus het kind bij de hand en zei tot haar “Talita koemi” (Meisje, sta op). Het meisje stond onmiddellijk op. 

In beide verhalen is het geloof relevant, dat van zowel de vader van het meisje als van de zieke vrouw. Tot de vrouw zegt Jezus: “Dochter, uw geloof heeft u genezen”, en tot de vader: “Wees niet bang, maar blijf geloven”. Uit de samenhang en de afloop mogen we opmaken dat de vader dat is blijven doen, ook nadat hij hoorde dat zijn dochter is overleden. Zowel de zieke vrouw als de vader tonen wat echt geloof vermag, ook al lijken de omstandigheden (bij de vrouw), noch de omgeving (bij het meisje) niet “mee te werken”. Hoe dan ook, Jezus wordt niet afgeleid, maar ziet het geloof van zowel de vrouw als de overste van de synagoge. En daar gaat het om, om ons geloof in Jezus en zijn vermogen te helen en op te wekken.

 

Pastoor C. Müller

 

 

Storm op het meer – vertrouw op de Heer                                      

Op zondag 20 juni 2021 (12e zondag door het jaar) horen we het verhaal over de storm op het meer. Jezus gaat met zijn leerlingen in een boot om over te steken. Onderweg worden ze overvallen door een hevige storm. De golven slaan over de boot, die daardoor vol loopt. Jezus lijkt het niet te deren. Hij slaapt. De leerlingen maken Hem wakker en merken op: Meester, raakt het U niet dat wij vergaan? Jezus richt Zich daarop met een dwingend woord tot de wind en het water. Het wordt volmaakt stil. Jezus maakt zijn leerlingen een verwijt: Waarom zijn jullie zo bang? Hoe is het mogelijk dat jullie nog geen geloof bezitten? De leerlingen zijn verbaasd: Wie is Hij toch dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen? Wat opvalt is dat de leerlingen hier enkel aan zichzelf denken; terwijl Jezus toch bij hen is. Ze praten ook enkel over henzelf: Raakt het U niet dat wij vergaan! Alsof Hij er geen deel van uitmaakt, alsof ook Hij niet met hen in de boot zit …

De leerlingen zijn bang; omdat Hij niet reageert zoals zij, maken ze Hem een verwijt (“Raakt het U niet …”). Ze zeggen het omdat ze door gevoelens van onmacht bepaald worden.

Ook in onze dagen menen mensen soms dat God slaapt. Terwijl Hij net als toen, er wel is. God nu, Hij slaapt niet. Jezus kon ‘slapen’ tijdens de storm omdat Hij Zich geborgen weet in de liefde van de Vader. Hij werd niet bepaald door het rumoer om hen heen, zoals de leerlingen. Het verhaal leert ons ook dan God te vertrouwen als het ‘stormt’ en Hij ons niet lijkt te horen. Weet dat God u altijd ziet en verwacht dat u Hem aanroept. Maar wachten we daar vaak niet veel te lang mee, omdat we menen eerst onszelf te moeten redden? Als het goed is hebben de leerlingen van die ervaring op het meer veel geleerd. Dat God met ons is, ook en vooral in de storm, wanneer ons geloof wordt beproefd. Derhalve wanhoop niet, maar vertrouw op God, onverlet de omstandigheden.

Pastoor C. Müller

Parabel van het mosterdzaadje                                                                   

In het Evangelie van zondag 13 juni (11e zondag door het jaar) vertelt Jezus zijn leerlingen de parabel van het mosterdzaadje, en wel om hen te verduidelijken dat het Rijk Gods in zich heel veel kiemkracht bezit. Zo is het mosterdzaadje -als het gezaaid wordt wel het allerkleinste zaadje op aarde- maar als het eenmaal wortel heeft geschoten, wordt het groter dan alle tuingewassen.

Natuurlijk, ook dit zaadje behoeft zon en water en voldoende voedingsstoffen. Het is als met een kind, het kan niet zonder de liefde van de ouders, en al het andere. De uitgroei van ieder individu hangt voorts af van vele andere factoren. Daarom ook dat er zoveel verschillen bestaan tussen mensen, zelfs al maken ze deel uit van één en hetzelfde gezin. Zinvol is het na te denken over de eigen wordingsgeschiedenis. De levens van de heiligen vormen in dit verband kleine parabels op zichzelf. Mooi is te zien hoe iemands kleinheid voor God nooit een obstakel vormt. Ja, in potentie bezitten we allen een enorme kiemkracht. Daarbij is het zaak mee te werken met Gods genade. Hij is immers diegene die mensen werkelijk ‘groot’ doet zijn / worden, niettegenstaande vele menselijke beperkingen. De heiligen lieten zich hierdoor echter niet ontmoedigen, maar leerden gaandeweg niet meer op zich zelf te bouwen, maar enkel op de Heer, die wil dat we woekeren met onze talenten, alsook onze kruisjes, mede tot opbouw van Rijk Gods.

Pastoor C. Müller