Wat is het voornaamste?

Het Evangelie van de 30e zondag door het jaar (25 okt.) is kort, daarom geef ik het hieronder in het geheel weer: “In die tijd kwamen de Farizeeën bijeen, toen zij vernamen dat Jezus de Sadduceeën de mond gesnoerd had. En een van hen, een wetgeleerde, vroeg Jezus om Hem op de proef te stellen: Meester, wat is het voornaamste gebod in de Wet? Hij antwoordde hem: Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten.”

Ja, “all you need is love”. Maar wat is dat: liefde? Is het enkel de ander bijzonder vinden en warme gevoelens koesteren voor hem of haar? Omvat liefde niet veel meer, oneindig meer? Begint zij niet bij God, die de liefde zelve is en die ons geschapen heeft naar zijn beeld en gelijkenis? Vandaar ook die rangorde, God eerst en dan de naaste.
De moderne mens ziet dat anders, zijn liefde is veelal enkel iets van hemzelf: “Ik hou van …”. Maar klopt dat wel? Is ons vermogen om te beminnen niet allereerst ons door God geschonken? Zonder Hem, naar wiens beeld we geschapen zijn, zouden we waarschijnlijk niet eens weten wat liefde is. Daarom is het goed “onze” liefde steeds te gronden in die van Hem. Ja, laat je liefde schragen door Zijn liefde (conform de theologie van het sacrament van het huwelijk). Dan leren we pas echt lief te hebben, onvoorwaardelijk, zoals God het bedoeld heeft, indachtig Jezus’ woorden: “Een nieuw gebod geef Ik u: dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad.”

Pastoor C. Müller

Oktobermaand – Mariamaand

Oktober betreft de maand van de Rozenkrans. Het gebruik om jaarlijks de hele maand oktober in het teken van de rozenkrans te stellen, dateert uit de 19e eeuw. Het was paus Leo XIII (1878-1903) die een intensere Maria-devotie in deze maand bevorderde door zijn oproep om extra vaak de rozenkrans te bidden. Opmerkelijk is dat Leo in totaal tien encyclieken over het rozenkransgebed schreef. Alle werden gepubliceerd in september, ter voorbereiding van de daaropvolgende rozenkransmaand. Alle pausen na Leo XIII hebben in navolging van hem de gelovigen opgeroepen in oktober extra tijd aan de rozenkrans te besteden. Het is een uitbreiding van het liturgische feest van Maria Koningin van de Rozenkrans op 7 oktober. Deze viering werd ingesteld door de heilige paus Pius V in 1571. Hij had de christelijke overwinning van de Slag bij Lepanto (7 oktober 1571) toegeschreven aan het bidden van de rozenkrans, waartoe hij speciaal had opgeroepen.
Het rozenkransgebed werd gepropageerd door de orde der Dominicanen, waartoe Pius V zelf ook toe behoorde. Volgens een legende was de Rozenkrans een geschenk van de Heilige Maagd Maria aan Sint Dominicus (1170-1221), stichter van de dominicanen. Maria zou de rozenkrans hebben gegeven als wapen in zijn strijd tegen de Albigenzen. Naast de 7e oktober kwam er na 1917 nog een andere belangrijke oktoberdag voor Maria-vereerders bij: de 13e, de herdenkingsdag van het zogenoemde Zonnewonder van Fatima, dat plaatsvond op 13 oktober 1917. Een menigte van circa 70.000 belangstellenden en nieuwsgierigen namen toen bij Fatima (Portugal) een bovennatuurlijk kosmisch fenomeen waar. Uit getuigenverslagen bleek dat velen bang waren dat de zon zich op de biddende menigte zou storten. De mensenmassa stond op een veld verzameld rond drie herderskinderen: Lucia Dos Santos, Jacinta Marto en Francisco Marto. Zij beweerden dat op 13 mei 1917 Maria voor het eerst aan hen was verschenen.
Vóór het Tweede Vaticaans Concilie (11 okt.1962 t/m 8 dec.1965) was het heel normaal dat de rozenkrans, of 1/3 deel daarvan ('rozenhoedje'), in katholieke huisgezinnen werd gebeden. Na de sociaal-culturele wendingen van de jaren zestig raakte deze praktijk in onbruik. Toch wordt in veel parochies in oktober nog steeds gezamenlijk de rozenkrans gebeden (o.m. in Velden op de zondagen vóór de H. Mis). In Velden bidden we ook door het jaar de rozenkrans en wel op donderdag- en vrijdagochtend na de H. Mis.
Het bidden van een rozenkrans gaat gepaard met het gedenken van geloofsgeheimen. We kennen er twintig. Per vijf gegroepeerd staan deze bekend als de 'blijde', de 'droevige' en de 'glorievolle' geheimen. In 2002 heeft paus Johannes Paulus II, bij het begin van het Jaar van de Rozenkrans, daar de 'vijf geheimen van het Licht' aan toegevoegd. Bij elkaar geven de 'geheimen' een soort samenvatting van het evangelie. Hierdoor kan het bidden van de rozenkrans iemand duidelijker bewust maken van de bijbelboodschap.

Pastoor C. Müller

Verantwoording dragen

In het Evangelie van zondag 4 oktober (27e zondag door het jaar) vertelt Jezus wederom een parabel. Het gaat over een landeigenaar die een wijngaard aanlegt. Vervolgens verpacht hij de wijngaard, maar de pachters deugen niet. Ze dragen niets af van de oogst en doden zelfs de dienaren die de pacht kwamen innen. Vervolgens zendt de eigenaar andere dienaren. Ook zij worden mishandeld. Tenslotte stuurt de eigenaar zijn zoon, in de veronderstelling dat ze hem wel zullen sparen. Maar ook hij wordt gedood.
De parabel fungeert welbeschouwd als een spiegel voor Jezus’ tijdgenoten. Net als zij, zullen ook eens wij verantwoording moeten afleggen aan de landeigenaar (God) voor wat wij al dan niet hebben gedaan met datgene dat Hij ons in beheer heeft gegeven.
De parabel illustreert hoe ver Gods liefde gaat, door Zijn Zoon te zenden. Bijzonder is te zien hoe God in zijn heilsplan zelfs de moord op zijn Zoon opneemt. Dat alles omwille van ons mensen, die Hij heeft gered door het Offer van zijn Zoon. Het mag ons enerzijds dankbaar stemmen; anderzijds ook bewust doen zijn van eenieders grote verantwoordelijkheid. Immers, van ieder van ons zal op het eind van ons leven gevraagd worden: Wat heb jij gedaan, hoe vruchtbaar is jouw leven geweest? Heb je gewoekerd met dat wat ik jou in beheer heb gegeven, of zag jij het allemaal als jouw eigen zaak?

Pastoor C. Müller

Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan?

Bovenstaande vraag is ontleend aan het Evangelie van de 26e zondag door het jaar (zondag 27 sept.). Jezus vertelt zijn gehoor een verhaal over een vader die 2 zonen had. Tot de eerste zei de vader: “Ga vandaag werken in mijn wijngaard.” Goed vader – zei de zoon, maar hij deed het niet. De andere zoon merkte op: “Neen, ik wil niet”. Later kreeg hij spijt en ging toch. Jezus vroeg daarop aan zijn gehoor: “Wie van de twee heeft nu de wil van de vader gedaan?”. De parabel wil ook ons aan het denken zetten. Ja, hoe gaan we om met dat wat God ons opdraagt? Er wordt hier immers niet gesproken over ‘vragen’. Nee, het is een opdracht: “Ga vandaag werken in mijn wijngaard.”
We kunnen ons mogelijk herkennen in beide zonen. De ene keer zeggen we iets toe, maar handelen er niet naar. Of we laten het aanvankelijk afweten, om in 2e instantie toch dat te doen wat ons is opgedragen. Van belang is te zien dat God van ieder van ons iets verwacht. In elke opdracht zit feitelijk een les verborgen; het is door het te doen, dat we gaandeweg ontdekken wie wij zelf zijn en wat onze (on)mogelijkheden zijn; maar ook en vooral wie God is. Door Gods wil te volbrengen, zal God ons zegenen. Op onze beurt zullen wij -door het goede te doen- dat God van ons verlangt- een zegen zijn / worden voor anderen.

Pastoor C. Müller

Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?
Bovenstaande vraag staat in die parabel, welke wordt voorgelezen op zondag 20 sept. 2020, waarin een landeigenaar ingaat op een vraag van een dagloner, die meent recht op meer te hebben (dan wat vooraf was overeengekomen), dan diegene die slechts één uur heeft gewerkt, terwijl hijzelf de hele dag heeft gewerkt.
God nu geeft ieder het zijne. Daarbij is het goed nimmer te vergelijken, want ieder mens is uniek. God alleen kent ieder van ons ten volle en geeft ieder het zijne, naar Zijn goeddunken. Pas in de hemel zullen we zien waartoe alles heeft gediend en hoe elk offer, elke daad van liefde zijn betekenis heeft. Staar u dus niet blind op enkel deze werkelijkheid. Wij zien immers heel veel niet, terwijl God dat wel ziet. Het oordeel is aan de Heer, die als geen ander weet wie we zijn, hebben gedaan, dan wel hebben nagelaten. Ogenschijnlijk zijn er heel wat minderbedeelden op aarde. Voor God evenwel zijn ze vaak van grotere betekenis, dan hen die zogenaamd veel hebben, en menen zichzelf te kunnen redden. De apostel Paulus zegt in zijn eerste brief aan de Korintiërs (1,26-29) er het volgende over: “Denk eens aan uw roeping, broeders en zusters. Onder u waren er niet veel die naar menselijke maatstaf wijs waren, niet veel die machtig waren, niet veel die van voorname afkomst waren. Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wel iets is teniet te doen. Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen.”

Pastoor C. Müller

Vergeef!

In het Evangelie van de 24e zondag door het jaar (13 sept.) gaat het over vergeven en wel naar aanleiding van een vraag van Petrus: “Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe? Jezus antwoordde hem: Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe maar tot zeventig maal zevenmaal.” Als christenen dienen we steeds te vergeven, indachtig God zelf, wiens liefde geen grenzen kent. Als er iemand is, die weet hoe zwaar het kan zijn om te vergeven, dan is het Jezus zelf wel. Toch liet Hij niet na vanaf zijn kruis te zeggen: “Vader, vergeef het hun want zij weten niet wat ze doen.” (Luc. 23,34)
In een commentaar schreef iemand: Ja, ook voor ons –en voor zoveel andere mensen– is dat gebed gebeden: Vader, vergeef hun, geef nog tijd van genade, tijd van bekering, tijd om het Evangelie te leren kennen en Jezus als Verlosser en Heer te aanvaarden, tijd om te gaan geloven.
Vergeving heeft weliswaar betrekking op wat is gebeurd (en schijnbaar achter ons ligt); maar richt zich vooral op het nu en onze toekomst. Zonder vergeving is iedere toekomst beladen. Iemand die bepaald wordt door zijn verleden, zijn wrok, blijft er aan vastzitten (terwijl hij het juist wil vergeten), totdat hij bereid is de ander te vergeven. Daarom: Vergeef! Het kan heel veel vergen, maar vergeet niet; het meetorsen van het verleden kost ook heel wat. Vergeven kunnen mensen vaak pas als ze zelf Gods vergeving hebben leren kennen én aannemen. Zonder God is vergeving schenken haast ondenkbaar. Zo zei iemand ooit: Ik kan er met mijn hoofd niet bij hoe vergeven nu kan helen. Toch is dat juist waar! Vergeving ontvangen en schenken – het brengt heling. Om te kunnen vergeven kan het helpen het Onze Vader vaker langzaam te bidden en te overwegen, met name: “vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren”.

Pastoor C. Müller

Ben ik mijns broeders hoeder? (Gen.4,9)

In het Evangelie van de 23e zondag door het jaar (6 sept.) wijst Jezus zijn leerlingen op de heilige plicht om de ander te helpen weer de rechte weg te bewandelen. Zo staat er: “Wanneer uw broeder gezondigd heeft, wijs hem dan onder vier ogen terecht. Luistert hij naar u, dan hebt gij uw broeder gewonnen. Maar luistert hij niet, haal er dan nog een of twee personen bij, opdat alles beruste op de verklaring van twee of drie getuigen. Als hij naar hen niet wil luisteren, leg het dan voor aan de kerk. Wil hij ook naar de kerk niet luisteren, beschouw hem dan als een heiden of tollenaar”.
De zogeheten “broederlijke vermaning” dient niet zozeer om de ander terecht te wijzen, maar hem te behouden, met het oog op zijn zielenheil. Zij veronderstelt een waarachtige naastenliefde en een goede zelfkennis bij diegene die de ander “vermaant”. Wil een boot haar bestemming bereiken dan dient de schipper koers te houden. De kapitein dient zonodig bij te sturen, mede vanwege de mensen op zijn schip. Wij mensen kunnen soms ook onze eindbestemming uit het oog verliezen en verdwalen, indachtig de parabel van het verloren schaap. Dan is het goed dat er anderen zijn om ons weer op weg te helpen en bij te staan.
Relevant hierbij is ook de eerste lezing van dezelfde zondag, waar God de profeet wijst op het volgende: “Zo spreekt de Heer: Gij, mensenkind, als wachter heb Ik u aangesteld over het volk van Israël. Hoort gij een woord uit mijn mond, waarschuw hen dan namens Mij! Als Ik tot de boosdoener zeg: Jij, boosdoener, jij moet sterven! en als gij dan uw mond niet opendoet en de boosdoener niet waarschuwt voor zijn gedrag, dan sterft die boosdoener wel om eigen schuld, maar dan kom Ik zijn bloed van u opeisen. Hebt gij de boosdoener echter gewaarschuwd voor zijn gedrag, hem gezegd dat hij zich moet bekeren, en hij bekeert zich niet, dan sterft hij om zijn eigen schuld, maar gij hebt uw leven gered.”
Welnu, wat destijds gold, geldt ook anno 2020. Omdat we heden ten dage gewend zijn onze eigen gang te gaan, en vaak menen “iedereen in zijn waarde te (moeten) laten” -dat soms eerder getuigt van onverschilligheid dan echt respect voor die ander- houden we vaak maar onze mond. Respect evenwel betekent ook dat je de ander durft te wijzen op de gevolgen van een welbepaalde keuze. Daarbij loopt men het risico dat die ander je mogelijk voortaan zal mijden. Van belang is steeds verder te kijken dan het hier en nu en oog te hebben voor het heilsplan van God, dat dikwijls haaks staat op “de wijsheid van hen die werelds denken”. Wat te denken van een vader die nooit iets durft te zeggen, terwijl je van hem mag verwachten dat hij zijn kinderen bijstuurt als hij dat nodig acht met het oog op de toekomst van zijn kinderen? Het zou raar zijn als hij –om wat voor reden dan ook– dan zou zwijgen (indachtig de eerste lezing). De geschiedenis is hierin ook onze leermeester. Daarom tot besluit een bekend citaat van de Ierse filosoof Edmund Burke: “Het enige dat nodig is voor het zegevieren van het kwaad is dat goede mensen niets doen.”

Pastoor C. Müller